Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1281, 20/01115

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1281, 20/01115

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22 februari 2022
Datum publicatie
4 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:1281
Formele relaties
Zaaknummer
20/01115

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Onzakelijke lening?

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 20/01115

uitspraakdatum: 22 februari 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 november 2020, nummer LEE 19/3938, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.814. Verder is een verzuimboete opgelegd van € 226 en is belastingrente berekend van € 529.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 oktober 2019 voornoemde aanslag, verzuimboete en beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 3 november 2020 de beroepen ongegrond verklaard. Afschriften van deze uitspraak zijn aan partijen verzonden op 12 november 2020.

1.4.

Belanghebbende heeft op 16 december 2020 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft op 9 februari 2021 incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.

De Inspecteur heeft op 17 juni 2021 een verweerschrift ingediend.

1.7.

De Inspecteur heeft op 1 juli 2021 het incidenteel hoger beroep ingetrokken.

1.8.

Op verzoek van het Hof heeft belanghebbende op 30 december 2021 jaarrekeningen ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. drs. E. Gritter, verbonden aan Solvent Juridische Zaken en Belastingadvies BV te Roden. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] en mr. [naam2] . Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woont samen met zijn partner [de partner] . Belanghebbende heeft op 11 juni 2007 Stichting [naam3] (hierna: de [naam3] ) opgericht. Belanghebbende is enig bestuurder van de [naam3] . Hij kan over het vermogen van de [naam3] beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

2.2.

De [naam3] heeft tezamen met [naam4] op 2 maart 2009 de vennootschap [naam5] BV (hierna: de BV) opgericht. Bij oprichting houdt de [naam3] 70% van de aandelen in de BV. [naam4] houdt de overig 30% van de aandelen. De BV exploiteert een horecazaak in [plaats] . Belanghebbende en [naam4] zijn directeuren van de BV.

2.3.

Nadien heeft de eigendomsverhouding van de aandelen in de BV zich als volgt ontwikkeld:

[naam3]

[naam4]

[de partner]

2 maart 2009

70%

30%

-

15 april 2011

47,2%

47,2%

5,6%

1 november 2013

45%

45%

10%

27 oktober 2015

90%

-

10%

2.4.

De naam van de BV is op 1 november 2013 gewijzigd in [naam5-a] BV, waarna deze op 13 februari 2014 is gewijzigd in [naam6] BV. Op 27 oktober 2015 heeft de [naam3] voor het eerst certificaten van aandelen in de BV uitgereikt aan belanghebbende.

2.5.

In 2009 heeft [de bank] een lening van in totaal € 110.000 verstrekt aan de BV. De looptijd bedraagt vijf jaar. Over deze lening is een rente verschuldigd van 5,95%. De BV heeft aan [de bank] de volgende zekerheden verstrekt: i) pandrecht op alle huidige en toekomstige inventaris van de BV, ii) pandrecht op alle huidige en toekomstige vorderingen van de BV, iii) pandrecht op alle huidige en toekomstige voorraden van de BV, iv) borgtocht voor een bedrag van € 25.000 door belanghebbende, v) borgtocht voor een bedrag van € 25.000 door [naam4] , en vi) borgtocht voor een bedrag van € 55.000 door het Ministerie van Economische Zaken in het kader van Besluit Borgstelling midden- en kleinbedrijf.

2.6.

Ultimo 2011 heeft de BV een schuld in rekening-courant aan belanghebbende van € 75.336. Volgens belanghebbende is in november 2011 ter zake van deze schuld een overeenkomst van geldlening gesloten. In dat verband is door belanghebbende een schriftelijke geldleningsovereenkomst ingebracht waarin onder meer is vermeld dat i) de besloten vennootschap [naam6] BV de schuldenaar is, ii) dat de besloten vennootschap [belanghebbende] de schuldeiser is, en iii) dat een bedrag van € 75.000 (zegge: eenentwintigduizend euro) ter leen is verstrekt. Verder is daarin opgenomen dat de lening uiterlijk november 2021 dient te worden afgelost en dat over de lening een rente van 4% per jaar verschuldigd is. Als zekerheid voor deze lening is vermeld dat alle inventaris van de BV in onderpand is gegeven aan belanghebbende. Bij herhaaldelijk in gebreke blijven, zal de inventaris worden opgeëist, aldus de overeenkomst.

2.7.

De eindbalans van de BV voor de jaren 2010 tot en met 2013 luidt als volgt:

2010

2011

2012

2013

Activa

Immaterieel

10.153

13.500

13.628

13.975

Materieel

91.870

83.135

76.806

67.962

Vlottende activa

16.404

24.747

20.491

43.313

118.427

121.382

110.925

125.250

Passiva

Eigen vermogen

-110.063

-109.274

-105.588

-113.254

Schuld [de bank]

62.632

44.296

25.960

7.624

Schuld aan belanghebbende

56.252

75.336

95.543

120.505

Kortlopende schuld overig

109.606

111.024

95.010

110.375

118.427

121.382

110.925

125.250

2.8.

Blijkens de (concept-)jaarrekeningen voor de jaren 2009 tot en met 2020 – waarop geen accountantscontrole is toegepast – zijn de resultaten, het eigen vermogen van de BV, de schuld aan [de bank] en de schuld aan belanghebbende als volgt:

Resultaat

Eigen vermogen per 31 december

Schuld aan [de bank]

per 31 december

Schuld aan belanghebbende per 31 december

2009

-73.722

-55.722

80.968

5.712

2010

-54.341

-110.063

62.632

56.252

2011

789

-109.274

44.296

75.336

2012

3.686

-105.588

25.960

95.543

2013

-7.666

-113.254

7.624

120.505

2014

-2.981

-116.235

0

136.286

2015

-6.674

-122.909

0

164.910

2016

-22.445

-145.354

0

164.910

2017

-22.738

-168.092

0

164.910

2018

0

-168.092

0

164.910

2019

0

-168.092

0

164.910

2020

0

-168.092

0

164.910

2.9.

De schuld van de BV aan belanghebbende is vanaf 2009 jaarlijks opgelopen tot een bedrag van € 164.910 in 2015. Deze schuld is in voornoemde (concept-)jaarrekeningen tot en met het jaar 2017 steeds vermeld als kortlopende schuld. Tot en met de concept-jaarrekening over het jaar 2013 – welke is opgesteld op 2 april 2014 – is daarbij steeds vermeld dat sprake is van een rekening-courant verhouding. In de jaarrekening over het jaar 2019 is de schuld vermeld als een langlopende schuld aan een groepsmaatschappij.

2.10.

De ondernemingsactiviteiten van de BV zijn in 2014 beëindigd.

2.11.

Belanghebbende heeft in 2013 de vordering op de BV – die op dat moment € 120.505 bedraagt – afgewaardeerd met een bedrag van € 55.000. Deze afwaardering is ten laste gebracht van het resultaat uit overige werkzaamheden (terbeschikkingstelling).

2.12.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 13.566. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 de afwaardering van € 55.000 gecorrigeerd. Als gevolg van de doorwerking in de terbeschikkingstellingsvrijstelling (artikel 3.99b Wet IB 2001) bedraagt de correctie per saldo € 48.400. Met inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van € 16.020 heeft de Inspecteur de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.814.

2.13.

De Rechtbank heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat met betrekking tot de door belanghebbende verstrekte gelden sprake is van een onzakelijke lening en dat de Inspecteur de afwaardering van deze vordering derhalve terecht heeft gecorrigeerd.

2.14.

Verder heeft de Rechtbank de verzuimboete van € 226 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte, in stand gelaten.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende terecht het bedrag van de afwaardering ten laste van het resultaat heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

De Inspecteur verdedigt ook in hoger beroep de opvatting dat de afwaardering niet ten laste van het resultaat kan worden gebracht aangezien het aanvaarde debiteurenrisico onzakelijk is. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

In hoger beroep is tussen partijen niet langer in geschil dat de vordering op de BV voor belanghebbende een werkzaamheid is in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001.

3.4.

Verder is de verzuimboete van € 226 in geschil.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, tot vermindering van de aanslag tot nihil, tot vaststelling van het verlies uit werk en woning van € 13.566 (ex artikel 3.148, lid 1, Wet IB 2001), tot vaststelling van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van € 16.020 (ex artikel 6.2a Wet IB 2001) en tot vernietiging van de verzuimboete. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht

6 Beslissing