Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-07-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5839, 21/00347 en 21/00348

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-07-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5839, 21/00347 en 21/00348

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
5 juli 2022
Datum publicatie
15 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:5839
Formele relaties
Zaaknummer
21/00347 en 21/00348

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Boekenonderzoek. Onderneming op het gebied van berijden, stallen en trainen van (spring)paarden. Verkoop van door vader van belanghebbende gekocht paard. Causaal verband tussen ondernemingsactiviteiten en training en verzorging paard.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 21/00347 en 21/00348

uitspraakdatum: 5 juli 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 februari 2021, zaaknummers LEE 19/3693 en 19/3694, in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.419. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 5.808.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 tevens een navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, waarbij het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 378.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de bestreden navorderingsaanslag IB/PVV 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.976. De bestreden beschikking belastingrente is verminderd tot € 5.704.

1.4

Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor – onder 1.2 – bedoelde navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bestreden navorderingsaanslag en beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 5 februari 2021 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 vernietigd, de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag ZVW 2014 vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 verminderd tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van negatief € 721, het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 721, de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegeven belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd, de navorderingsaanslag ZVW 2014 verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 1.949, de bij de navorderingsaanslag ZVW 2014 gegeven belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

1.6

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.7

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.8

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2022 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. drs. J.R. Kiewiet, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] en [naam2] (de ouders van belanghebbende), alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] . Ter zitting zijn – met toestemming van partijen – gezamenlijk en gelijktijdig de hoger beroepen met zaaknummers 21/00365 en 21/00366 van de Inspecteur in de zaken van [naam1] behandeld.

1.9

Partijen hebben voorafgaand aan de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota’s geacht worden ter zitting te zijn voorgelezen.

1.10

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is op 1 augustus 2009 een eenmanszaak gestart onder de naam “ [naam5] ”. [naam5] houdt zich bezig met het berijden, stallen en trainen van (spring)paarden. Daarnaast komt belanghebbende met de door haar getrainde paarden uit op verschillende nationale en internationale wedstrijden en concoursen.

2.2

De kosten van de huur van de stal, voeding en training worden vanuit [naam5] gefactureerd aan de eigenaren van de paarden. Deze kosten bedragen in 2014 maandelijks € 500 per paard, waarvan € 70 wordt toegerekend aan huur, € 160 aan voer en € 270 aan training.

2.3

De vader van belanghebbende ( [naam1] ) heeft in 2007 voor zijn dochter, belanghebbende, een paard met de naam [het paard] (hierna: [het paard] ) gekocht voor een bedrag van € 12.500. Belanghebbende was toen 17 jaar en stapte over van pony’s naar paarden. [het paard] werd als vierjarig zadelmak paard gekocht. De moeder van [het paard] heeft een bloedlijn in de dressuur en de vader van [het paard] heeft een bloedlijn met een mix van dressuur en springen.

2.4

Belanghebbende wilde met [het paard] als springpaard gaan trainen en met hem aan wedstrijden en concoursen gaan deelnemen. Zij trainde daarvoor één keer per week met [het paard] bij een vereniging. Vanaf 2012 werden [het paard] en belanghebbende door een professionele trainer getraind. De vader van belanghebbende is eigenaar van [het paard] . Belanghebbende heeft met [het paard] aan verschillende wedstrijden en concoursen deelgenomen.

2.5

De kosten voor de inschrijvingen voor concoursen voor [het paard] werden vanuit [naam5] gefactureerd aan de vader van belanghebbende. Belanghebbende bracht haar vader geen kosten in rekening voor stalling, voer en training van [het paard] . Haar vader zorgde zelf voor voer en voor andere benodigdheden voor [het paard] .

2.6

[het paard] is in november 2014 voor € 1.300.000 verkocht. Door de vader van belanghebbende is op dezelfde dag een bedrag van € 130.000 overgemaakt op een zakelijke rekening van belanghebbende met als omschrijving “commissie verkoop [het paard] ”.

2.7

In de jaarrekening 2014 is het hiervoor – onder 2.6 – vermelde bedrag van € 130.000 als familielening op de balans opgenomen met als omschrijving in de toelichting op de balans “ [naam1] inzake commissie”.

2.8

Belanghebbende heeft op 28 oktober 2015 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 8.277.

2.9

De aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

2.10

De aanslag ZVW voor het jaar 2014 is vastgesteld op nihil.

2.11

Bij belanghebbende heeft in 2017 een boekenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en ZVW voor de jaren 2014 en 2015 onderzocht. Het van dat onderzoek opgemaakte rapport is gedagtekend op 10 juli 2018.

2.12

Naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 2014 en ZVW voor het jaar 2014 opgelegd. Daarbij zijn de volgende correcties aangebracht:

Bij aanslag IB/PVV 2014 vastgesteld inkomen uit werk en woning € 8.277 -/-

Bij: correctie desinvesteringsbijtelling € 9.560

Bij: privé onttrekking € 120.622

Af: gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 7.280

Af: MKB-winstvrijstelling € 16.294

Bij navorderingsaanslag IB/PVV 2014 vastgesteld inkomen uit werk en woning € 97.419.

De privé-onttrekking bevat onder andere een bedrag van € 107.438 (inclusief omzetbelasting € 130.000) aan commissie en € 5.000 omzetbijtelling wegens kosten van het paard [het paard] .

2.13

Het bijdrage-inkomen voor de ZVW is vastgesteld op € 100.089. De navorderingsaanslag ZVW voor het jaar 2014 is berekend naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.414.

2.14

Belanghebbende heeft bij brief van 9 november 2018, door de Inspecteur ontvangen op 12 november 2018, bezwaar gemaakt tegen de navorderingaanslagen IB/PVV 2014 en ZVW 2014. Op 18 februari 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.15

De Inspecteur is gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen voor zover dit ziet op de navorderingsaanslag IB/PVV 2014. Deze navorderingsaanslag is als volgt verminderd:

Bij navorderingsaanslag IB/PVV 2014 vastgesteld inkomen uit werk en woning € 97.419

Af: correctie privé-onttrekking € 1.678

Bij: MKB-winstvrijstelling € 235

Inkomen uit werk en woning na bezwaar € 95.976

De navorderingsaanslag ZVW voor het jaar 2014 is niet verminderd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het hiervoor – onder 2.6 – bedoelde bedrag van € 130.000 bij belanghebbende (primair) tot de winst uit onderneming gerekend dient te worden dan wel (subsidiair) moet worden belast als resultaat uit overige werkzaamheid. Daarnaast is in geschil of de winst terecht is verhoogd met € 5.000 in verband met niet aan de vader van belanghebbende in rekening gebrachte kosten van stalling, verzorging en training van [het paard] .

3.2

De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing