Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6858, 21/01488

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6858, 21/01488

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
2 augustus 2022
Datum publicatie
19 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:6858
Zaaknummer
21/01488
Relevante informatie
Art. 17 lid 3 WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling onderwijsgebouw.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/01488

uitspraakdatum: 2 augustus 2022

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [belanghebbende] uit [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 augustus 2021, nummer Awb 20/1206, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 2 te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 10.189.000. Tegelijk met die beschikking is voor de onroerende zaak een aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning (OZBE) en een aanslag watersysteemheffing ten name van belanghebbende vastgesteld van € 32.339,89, respectievelijk € 2.486,12.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, het betalen van de proceskosten tot een bedrag van € 534 en de heffingsambtenaar opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord W.C. Consenheim als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] , en [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] (taxateur). Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [adres1] 2, te [vestigingsplaats] . De onroerende zaak betreft een in 1987 gebouwde onderwijsinstelling voor middelbaar beroepsonderwijs. De totale bruto vloeroppervlakte is 14.069 m2. In 2014 is een gedeelte met een oppervlakte van ongeveer 2.150 m2 gerenoveerd en in 2015 zijn zes noodlokalen en een tuinbouwkas geplaatst.

2.2.

Tot het dossier behoort een afschrift van het op briefpapier van de heffingsambtenaar opgemaakt taxatierapport van de onroerende zaak met waardepeildatum 1 januari 2016 en een afschrift van het op briefpapier van de heffingsambtenaar opgemaakt taxatierapport van de onroerende zaak met waardepeildatum 1 januari 2019. In beide rapporten is ten aanzien van bepaalde onderdelen van de onroerende zaak een correctie wegens functionele veroudering van vijf percent respectievelijk 14,5 percent in aanmerking genomen bij het bepalen van de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna: GVW).

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak. Belanghebbende bepleit een waarde van € 7.858.000 en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, voorzover het de vaststelling van de waarde betreft. De heffingsambtenaar neemt het tegengestelde standpunt in en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing