Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:707, 20/00955 t/m 20/00959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:707, 20/00955 t/m 20/00959

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
1 februari 2022
Datum publicatie
11 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:707
Zaaknummer
20/00955 t/m 20/00959

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Proceskostenvergoeding.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers 20/00955, 20/00956, 20/00957, 20/00958 en 20/00959

uitspraakdatum 1 februari 2022

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [plaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 9 september 2020, nummers UTR 19/3602, UTR 19/3803, UTR 19/3805, UTR 19/3806, UTR 19/3807

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 28 februari 2019 de waarde van de volgende onroerende zaken in Utrecht voor het kalenderjaar 2019, naar waardepeildatum 1 januari 2018, als volgt vastgesteld:

Onroerende zaak

Kenmerk Hof

Kenmerk Rechtbank

Vastgestelde waarde

[adres1] 34 (leegstand)

20/00955

UTR 19/3602

€ 423.000

[adres1] 34B

20/00956

UTR 19/3803

€ 291.000

[adres2] 18

20/00957

UTR 19/3805

€ 3.297.000

[adres1] 34A

20/00958

UTR 19/3806

€ 705.000

[adres1] 34

20/00959

UTR 19/3807

€ 413.000

Tegelijk met deze beschikkingen zijn voor het jaar 2019 aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) Eigenaar en aanslagen Watersysteemheffing (WSH) Gebouwd vastgesteld.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 augustus 2019 de in 1.1. vermelde beschikkingen en aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 9 september 2020 de beroepen gegrond verklaard en de vastgestelde waarden in goede justitie als volgt verminderd:

Onroerende zaak

Vastgestelde waarde

Waarde na beroep

[adres1] 34 (leegstand)

€ 423.000

€ 400.000

[adres1] 34B

€ 291.000

€ 275.000

[adres2] 18

€ 3.297.000

€ 3.130.000

[adres1] 34A

€ 705.000

€ 670.000

[adres1] 34

€ 413.000

€ 390.000

1.4.

Belanghebbende heeft op 23 oktober 2020 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Daarvoor is een griffierecht betaald van € 532.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op 17 mei 2021 een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2021. De zaken zijn ter zitting gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam1] en de taxateurs [de taxateur1] en [de taxateur2] .

2 Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. De objecten betreffen bedrijfspanden (grootschalige winkelruimten) en maken onderdeel uit van één pand, gelegen op de kadastrale percelen [nummer1] , [nummer2] en [nummer3] . De objecten zijn gebouwd in de periode 2011-2012.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaar en -beroepsfase.

3.2.

Belanghebbende stelt dat factor 1,5 had moeten worden toegepast omdat sprake is van vijf samenhangende zaken en dat het totaal niet op elkaar lijkende objecten betreft.

3.3.

De heffingsambtenaar stelt dat het gaat om één complex met vijf objecten die alleen verschillen in oppervlakte en die in dezelfde range per m2 worden verhuurd.

3.4.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig alle inhoudelijke grieven ingetrokken evenals het beroep op betalingsonmacht, het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verzoek om een digitale zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing