Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7923, 21/01593

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7923, 21/01593

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 september 2022
Datum publicatie
23 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:7923
Formele relaties
Zaaknummer
21/01593
Relevante informatie
Art. 3.92 Wet IB 2001, Art. 4.12 Wet IB 2001, Art. 4.16 lid 1 aanhef en onderdeel a Wet IB 2001, Art. 4.19 lid 1 Wet IB 2001, Art. 9.2 lid 1 aanhef en onderdeel b Wet IB 2001, Art. 15 AWR

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ingehouden, te verrekenen dividendbelasting? Vervreemdingsvoordeel. Vervreemding aandelen?

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 21/01593

uitspraakdatum: 13 september 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2021, nummer LEE 20/1817, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.651, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.283 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.893. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 7.345.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.651 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.906 en de beschikking belastingrente overeenkomstig verminderd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 september 2021 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. De zaak is gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met de zaak van [naam1] met zaaknummer 21/01592.

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren [in] 1953. Zij is gehuwd met [naam1] , geboren [in] 1954.

2.2

Op 16 maart 2001 is [naam4] B.V. (hierna: Beheer) opgericht. Belanghebbendes echtgenoot hield alle aandelen in deze vennootschap. De verkrijgingsprijs van deze aandelen bedroeg € 19.095. Deze vennootschap is op 20 maart 2018 ontbonden.

2.3

Beheer was enig aandeelhouder van [naam5] B.V ., [naam6] B.V. en [naam7] B.V. Het faillissement van alle hiervoor genoemde vennootschappen, inclusief Beheer, is op 17 januari 2017 uitgesproken.

2.4

Belanghebbende en haar echtgenoot stonden borg voor de schulden van Beheer. Zij zijn in 2017 door de bank aangesproken voor deze schulden. Op 2 januari 2018 hebben zij ter voldoening van de borgstelling een bedrag van € 90.707 voldaan aan de bank.

2.5

Bij koopovereenkomst van 28 november 2012 en notariële akte van 20 december 2013 heeft [naam5] B.V. haar aandeel in [naam8] B.V. ( [naam8] BV) verkocht en overgedragen aan belanghebbendes echtgenoot. In de akte stond als aankoopprijs de nominale waarde van € 5.000. Blijkens de jaarrekening bedroeg de werkelijke aankoopprijs € 269.753. Door de aankoop verwierf belanghebbendes echtgenoot een belang van 10% in [naam8] BV.

2.6

Bij notariële akte van 7 juni 2017 is het aandeel van belanghebbendes echtgenoot in [naam8] BV door [naam8] BV ingekocht tegen de intrinsieke waarde van € 371.566. Dit is besloten in de algemene vergadering van aandeelhouders van 1 maart 2017. Wat betreft de tegenprestatie is in deze akte het volgende bepaald:

“ARTIKEL 2. TEGENPRESTATIE

De onderhavige levering van het Aandeel geschiedt tegen de zichtbaar intrinsieke waarde van het aandeel, welke is vastgesteld op driehonderd één en zeventig duizend vijfhonderd zes en zestig euro (€ 371.566,00), welk bedrag door de Vennootschap aan [naam1] is voldaan, zulks blijkens storting op een kwaliteitsrekening van mij, notaris.”

2.7

[naam8] BV heeft ter zake van de hiervoor – onder 2.6 – bedoelde inkoop van het aandeel van belanghebbendes echtgenoot geen dividendbelasting op aangifte afgedragen. De Inspecteur heeft ook geen dividendbelasting nageheven van [naam8] BV.

2.8

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende vastgesteld op € 50.906. Dit bedrag bestaat uit de opbrengst van de inkoop van het aandeel in [naam8] BV ten bedrage van € 371.566 minus de aankoopprijs van € 269.753, in totaal € 101.813, welk bedrag de Inspecteur voor 50% heeft toegerekend aan belanghebbende.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 van belanghebbende tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende dividendbelasting als voorheffing in mindering mag brengen op de door haar verschuldigde belasting. Daarnaast is de vraag in geschil of belanghebbende in 2017 (de helft van) het ter voldoening van de borgstelling aan de bank betaalde bedrag van € 90.707, als onderdeel van de verkrijgingsprijs van de aandelen in Beheer, in mindering mag brengen op haar belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag en beschikking belastingrente.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat belanghebbendes stelling dat de (helft van de) verkrijgingsprijs van de aandelen in Beheer van € 19.095 in 2017 in mindering moet komen op het inkomen uit aanmerkelijk belang, heeft laten varen.

3.5

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing