Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-10-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8527, 21/00930

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-10-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8527, 21/00930

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
4 oktober 2022
Datum publicatie
14 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:8527
Formele relaties
Zaaknummer
21/00930
Relevante informatie
Art. 3.90 Wet IB 2001, Art. 9 lid 4 AWR, Art. 27e lid 1 AWR, Art. 8:60 Awb

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomsten uit een persoonsgebonden budget.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/00930

uitspraakdatum: 04 oktober 2022

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2021, nummer AWB 20/4857, ECLI:NL:RBGEL:2021:3154, in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente berekend. Nadien is bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard, de navorderingsaanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij de vergrijpboete vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraak inzake de navorderingsaanslag en de belastingrente in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente vernietigd.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.M. Staal, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woonde het gehele jaar 2014 samen met zijn in 1993 geboren zoon [de zoon] (hierna: de zoon). Op 18 september 2014 is belanghebbende gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Belanghebbende genoot in 2014 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het UWV van in totaal € 14.980, waarop € 3.309 aan loonheffing is ingehouden. De zoon genoot in 2014 een Wajong-uitkering van € 5.046, waarop € 126 aan loonheffing is ingehouden. De echtgenote genoot in 2014 geen inkomen.

2.3.

Belanghebbende is door de Inspecteur niet uitgenodigd aangifte IB/PVV te doen over het jaar 2014. De Inspecteur heeft geen aanslag opgelegd.

2.4.

De zoon was in 2014 houder van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Tot de gedingstukken behoort een “Verklaring van Zorg”. Deze verklaring heeft betrekking op zorgverlening in 2014 en daarin staat de zoon vermeld als zorgvrager en [de zorgverlener] te [plaats1] (hierna: [de zorgverlener] ) als zorgverlener. De verklaring is getekend door de zorgvrager en de zorgverlener. Het aantal uren dat per week zorg wordt verleend en het uurtarief zijn niet ingevuld.

2.5.

Op grond van het PGB heeft de zoon in dat jaar € 39.590 van het betrokken Zorgkantoor ontvangen. Hiervan heeft blijkens drie door de zoon opgemaakte en ondertekende “Verantwoordingsformulier(en) persoonsgebonden budget (PGB) AWBZ” een bedrag van € 6.000 betrekking op verleende groepsbegeleiding en een bedrag van € 33.590 op door [de zorgverlener] verleende individuele begeleiding. Het Zorgkantoor heeft het PGB in maandelijkse termijnen overgemaakt naar de bankrekening van de zoon. De zoon heeft het bedrag van € 33.590, eveneens in maandelijkse termijnen, overgemaakt naar de bankrekening van [de zorgverlener] .

2.6.

[de zorgverlener] heeft in de loop van 2014 tot een totaalbedrag van € 33.650 in contanten van zijn bankrekening opgenomen.

2.7.

Naar aanleiding van een door de Belastingdienst ontvangen renseignement heeft de Inspecteur zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 33.590 als inkomsten bij [de zorgverlener] in aanmerking moet worden genomen. [de zorgverlener] heeft dat betwist en gesteld dat hij slechts als tussenpersoon de PGB-gelden in ontvangst heeft genomen. In hoger beroep tegen de door de Inspecteur aan [de zorgverlener] opgelegde navorderingsaanslag heeft dit hof geoordeeld dat aannemelijk is dat [de zorgverlener] geen zorgwerkzaamheden voor de zoon heeft verricht, maar dat hij slechts een kassiersfunctie heeft vervuld waarvoor hij een beloning van € 6.500 heeft ontvangen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2020, 18/00573 en 18/00574, ECLI:NL:GHARL:2020:1516). In deze uitspraak is, voor zover van belang, het volgende vermeld.

“2.8 Ter nadere zitting van het hof heeft belanghebbende (Hof: [de zorgverlener] ), voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

“Ik was lange tijd heel goed bevriend met [belanghebbende] en ik kende dus ook [de zoon] . In 2015 heeft [belanghebbende] mij nog financieel geholpen toen mijn vader en moeder overleden. Op een bepaald moment is [belanghebbende] naar mij toegekomen met de vraag of ik hem kon helpen. Hij was bang dat er problemen zouden komen met zijn uitkering. Hij zei dat, omdat hij was afgekeurd, hij geen extra geld mocht krijgen. Bij iemand die werkt was dat geen probleem. Hij vroeg of hij mijn bankrekening mocht gebruiken. Dat heb ik toegestaan. We kenden elkaar al zo lang en we waren heel hecht. Ik wist verder niet precies waarover het ging. Als het geld binnenkwam dan nam ik het op en dan bracht ik het naar hem toe; soms kwam hij het halen. Soms mocht ik wat houden als onkosten, zo’n € 200 per keer; we hebben elkaar altijd gesteund. Toen ik problemen kreeg met de belastingdienst ben ik naar hem toegegaan om dat te bespreken. Eerst zei hij dat hij het op zou lossen en dat het niet de bedoeling was dat ik belasting moest betalen. Maar toen er niets gebeurde heb ik gevraagd of hij mee wilde gaan naar de belastingdienst. Dat wilde hij niet en toen heeft hij het contact verbroken. Ik vind het heel erg dat hij dit zo gedaan heeft. Ik weet niet of [de zoon] zorg nodig had. Hij heeft wel 10-12 jaar geleden een zwaar ongeluk gehad, maar in of rond 2014 zag ik niet dat hij ziek was. Hij trainde en sportte veel. Ik heb nooit zorg verleend aan [de zoon] .

2.9.

Tijdens het getuigenverhoor van [de zoon] heeft deze, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

“Ik ben 26 jaar en heb in 2006 een ernstig ongeluk gehad. Toen moest ik ongeveer een jaar revalideren en ik heb er hersenletsel aan overgehouden. Ik ben tijdens de revalidatie en ook daarna naar school gegaan. Eerst naar de gewone middelbare school, maar dat ging niet zo goed. Daarna naar het speciaal onderwijs, waar ik niveau 1 gehaald heb. Daarna heb ik tot mijn 18e of 19e jaar nog wel allerlei opleidingen gevolgd, maar door concentratieproblemen is dat uiteindelijk niets geworden. Vanaf toen krijg ik een Wajong-uitkering. Ik heb ook een hartoperatie gehad. Ik heb altijd veel aan sport gedaan, voetbal en fitness. Zo bleef ik op het goede pad. Ik heb nooit alcohol gedronken of drugs gebruikt. In 2014 heb ik mijn meniscus en mijn kruisband gescheurd. Toen moest ik stoppen met voetbal. Fitness doe ik nu nog steeds. Toen ik mijn kruisband gescheurd had, had ik veel zorg nodig. Dat herstel heeft wel een jaar geduurd. Ik woonde toen bij mijn vader. Ik weet niet vanaf wanneer ik zorg heb gekregen. Ik heb verschillende zorgverleners gehad, onder wie [de zorgverlener] (hierna: [de zorgverlener] ). Ik ging in die tijd ook wel naar een zorginstelling, waar je samen dingen kon doen, zoals spelen en koken. Dat was meer voor het sociale aspect. Ik ken [de zorgverlener] al lang, via mijn vader. Ik zag hem bijna elke week bij mij thuis toen ik bij mijn vader woonde. [de zorgverlener] verleende zorg. Hij heeft mij hier en daar naar toe gebracht. Tijdens mijn revalidatie kwam hij me regelmatig met de auto ophalen en wegbrengen naar het revalidatiecentrum. Dat was na mijn ongeluk in 2006 en ook nadat ik mijn kruisband had gescheurd. Ik weet niet hoe lang [de zorgverlener] zorg aan mij heeft verleend, ik weet niet of er afspraken gemaakt waren over het ophalen en wegbrengen naar het revalidatiecentrum. Ik weet niet of [de zorgverlener] op een bepaalde dag in de week kwam, ik weet niet of hij overdag of 's avonds kwam en ik weet ook niet hoeveel uren hij kwam. Ik onthoud niet makkelijk. De zorg bestond uit meerdere dingen. Andere zorgverleners hebben mij geholpen met koken. Ik weet niet wat voor beroep [de zorgverlener] uitoefent. Mijn vader regelde altijd de zorgverleners en het administratieve gedeelte. Mijn vader heeft mij af en toe ook verzorgd. Dat hoort een vader te doen. Hij kreeg daarvoor niet betaald.

In 2015/2016 ben ik op mezelf gaan wonen en ik ben daarna ook 1 ½ jaar getrouwd geweest. Nu ben ik gescheiden. Vanaf de tijd dat ik op mezelf ging wonen heb ik geen zorg meer gehad.

(…)

4.7.

Bij het toetsen van de geloofwaardigheid van de mondelinge verklaringen neemt het hof het volgende in aanmerking:

- belanghebbende heeft van meet af aan steeds en tot in detail dezelfde, in 4.5 vermelde, verklaring afgelegd; dat gold ook na doorvragen tijdens de nadere zitting van het hof;

- zijn verklaring wordt ondersteund door de bankafschriften, waarin het patroon is te zien van stortingen, gevolgd door contante opnames tot nagenoeg dezelfde bedragen;

- de getuige [de zoon] verklaarde ter zitting wel dat belanghebbende hem zorg had verleend, maar hij kon dat nauwelijks nader concretiseren. Vragen over welke zorg belanghebbende verleend had, welke periode, op welke dagen van de week, op welke uren van de dag en vragen over afspraken die gemaakt waren over het verlenen van de zorg kon hij niet of nauwelijks beantwoorden. Hij herinnerde zich alleen dat belanghebbende hem naar verschillende plaatsen vervoerde, maar kon daarover ook nauwelijks details vermelden. Dit gebrek aan duidelijkheid over de verleende zorg tast naar het oordeel van het hof de geloofwaardigheid van de verklaring van [de zoon] dat belanghebbende zorg verleend heeft aan;

- de zorg zou volgens [de zoon] verleend zijn in verband met een kruisbandoperatie die hij in 2014 heeft ondergaan. Het hof acht niet aannemelijk dat iemand in een dergelijke situatie een geheel jaar zorg van derden nodig heeft met een tegenwaarde van € 33.650. In het geval van [de zoon] temeer niet nu hij in dat jaar thuis woonde bij zijn vader die hem deels ook zorg verleende;

- belanghebbende had in 2014 een full time baan.

4.8.

Het hof acht, alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien en met inachtneming van hetgeen onder 4.7 is vastgesteld en overwogen, niet aannemelijk dat belanghebbende zorgwerkzaamheden heeft verricht. Wel aannemelijk is dat belanghebbende met betrekking tot de op zijn bankrekening gestorte bedragen slechts als tussenpersoon of kassier is opgetreden. Die bedragen kunnen dan, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet als resultaat uit overige werkzaamheden wegens zorgverlening worden aangemerkt. De kassiersfunctie houdt in dit geval immers in dat belanghebbende de bedragen namens een ander in ontvangst genomen heeft en die bedragen vervolgens ook aan die ander heeft verstrekt. Dat betekent dat belanghebbende niet als genieter van het bedrag van € 33.650 kan worden aangemerkt, wat onverlet laat dat een beloning voor zijn werkzaamheden als kassier tot het resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend.

4.9.

Belanghebbende heeft ter zitting toegegeven dat hij voor de door hem als kassier of tussenpersoon verleende diensten een vergoeding heeft ontvangen. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding voor die dienstverlening in redelijkheid op een bedrag tussen € 6.000 en € 7.000 moet worden gesteld, met welk standpunt belanghebbende zich heeft verenigd. Gelet hierop zal het hof een bedrag van € 6.500 als resultaat uit overige werkzaamheden in het inkomen van belanghebbende begrijpen.”

2.8.

Naar aanleiding van de verklaring ter zitting van [de zorgverlener] in voormelde procedure dat hij geen zorgwerkzaamheden voor de zoon heeft verricht, heeft de Inspecteur bij brief van 7 oktober 2019 aangekondigd de inkomsten uit het PGB door middel van een navorderingsaanslag bij belanghebbende in de heffing te zullen betrekken.

2.9.

Op 14 november 2019 heeft belanghebbende uit eigen beweging op elektronische wijze aan de Belastingdienst gegevens over zijn inkomen in 2014 verstrekt. Hierin wordt alleen opgave gedaan van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het UWV.

2.10.

Met dagtekening 16 november 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de thans in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft de Inspecteur hierbij gesteld op € 14.980 (uitkering UWV) + € 33.590 (inkomsten PGB) = € 48.570. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Bij afzonderlijke beschikking van 20 juni 2020 heeft de Inspecteur een vergrijpboete opgelegd.

2.11.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de inkomsten uit het PGB gesteld op € 27.150 en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 42.130. Met het bedrag van € 27.150 heeft de Inspecteur zich aangesloten bij de uitspraak van dit Hof van 25 februari 2020 inzake [de zorgverlener] (zie 2.7), waarin werd geoordeeld dat dit gedeelte van het toegekende PGB geen inkomen voor [de zorgverlener] vormt. De rentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd. De Inspecteur heeft de boetebeschikking wegens termijnoverschrijding vernietigd.

2.12.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 juni 2021 geoordeeld dat de verklaring van [de zorgverlener] zoals deze in de uitspraak van dit Hof van 25 februari 2020 is opgenomen wegens strijd met de goede procesorde niet als bewijs in de zaak van belanghebbende kan worden aanvaard, omdat belanghebbende in die procedure geen partij was en niet in de gelegenheid is gesteld om zelf vragen aan [de zorgverlener] te stellen. Omdat de Inspecteur verder geen bewijs heeft overgelegd, heeft de Inspecteur de inkomenscorrectie niet aannemelijk gemaakt. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd.

2.13.

Na het instellen van hoger beroep heeft de Inspecteur onderzoek gedaan naar het verloop van de bankrekeningen van belanghebbende en de zoon. De van de bancaire instellingen verkregen gegevens zijn door de Inspecteur in hoger beroep overgelegd. Uit die gegevens blijkt dat belanghebbende in 2014 door middel van 12 stortingen van contanten (variërend van € 190 tot € 2.500) in totaal € 11.540 op zijn bankrekening bij [de bank1] heeft gestort. Uit die gegevens blijkt verder dat de zoon in 2014 door middel van tien stortingen van contanten (variërend van € 70 tot € 4.150) in totaal € 8.640 op diens bankrekening bij [de bank2] heeft gestort. Uit de door Inspecteur verstrekte gegevens blijkt daarnaast dat belanghebbende een bedrag van € 2.472 per bank heeft betaald voor boodschappen en een bedrag van € 1.381 per bank heeft betaald voor restaurants e.d.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2.

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een bedrag van € 27.150 uit het aan de zoon toegekende PGB als resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten, ofwel als vergoeding voor door hem aan zijn zoon verleende zorg ofwel als inkomsten genoten uit het op onrechtmatige wijze incasseren van het PGB. Subsidiair en meer subsidiair stelt de Inspecteur die inkomsten op € 13.958 of € 11.540. Belanghebbende betwist dat hij de door de Inspecteur gestelde inkomsten heeft genoten.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing