Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-04-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3441, 21/01562

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-04-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3441, 21/01562

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 april 2023
Datum publicatie
5 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:3441
Formele relaties
Zaaknummer
21/01562
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 28c Iw 1990, Art. 267 VWEU, Art. 8:69 Awb

Inhoudsindicatie

BPM. Uitleg Unierecht, rente, proceskosten.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 21/01562

uitspraakdatum: 25 april 2023

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

V.O.F. [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 september 2021, nummer LEE 20/1216, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 26 juli 2017 een kennisgeving van vermindering van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) en van de bij de naheffingsaanslag behorende beschikkingen verzuimboete en belastingrente verzonden.

1.2.

Het tegen deze kennisgeving gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2020 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 2.500, tot het vergoeden van de proceskosten tot een bedrag van € 1.333 en van het griffierecht van € 354, alle drie de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan tot aan de dag van voldoening.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.

1.5.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota ingestuurd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 28 maart 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord A.F.M.J. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 oktober 2016 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de bpm opgelegd en bij beschikkingen een verzuimboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2017 zijn de naheffingsaanslag en de bijbehorende beschikkingen vernietigd.

2.2.

Bij brief van 26 juli 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving van de vermindering van de onder 2.1 genoemde naheffingsaanslag en beschikkingen verzonden. De kennisgeving luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Betreft

Kennisgeving vermindering naheffingsaanslag BPM naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar d.d. 16 mei 2017

(…)

Hierbij bericht ik u over de vermindering op de naheffingsaanslag BPM naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar dd. 16 mei 2017.

(…)

Aanslag:

Belasting: € 837,00

Belastingrente: € 28,00

Bestuurlijke boete: € 83,00

Totaal: € 948,00

De aanslag wordt als volgt verminderd:

Belasting: € 837,00

Belastingrente: € 28,00

Bestuurlijke boete: € 83,00

Totaal: € 948,00

Nieuw vastgesteld:

Belasting: € 0,00

Belastingrente: € 0,00

Bestuurlijke boete: € 0,00

Totaal: € 0,00

Indien van toepassing.

Middels deze kennisgeving vervalt het uitstel van betaling.

(…)

Heeft u reeds betaald dan zal de Belastingdienst het teveel betaalde overmaken op het rekeningnummer dat bekend is bij de Belastingdienst.”

2.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 23 augustus 2017, ontvangen door de Inspecteur op 28 augustus 2017, bezwaar gemaakt tegen de – onder 2.2 genoemde – kennisgeving.

2.4.

De Inspecteur heeft het – onder 2.3 genoemde – bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2020 ongegrond verklaard.

3 Geschil

In geschil is of i) het Hof ingeval het een standpunt van belanghebbende niet volgt, gehouden is tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ EU), ii) sprake moet zijn van een passende rentevergoeding bij vermindering van bpm, iii) sprake moet zijn van vergoeding van werkelijke proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en, subsidiair, of het verhoogde tarief uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) moet worden toegepast, iv) ten onrechte griffierecht is geheven bij aanvang van de gerechtelijke procedure en v) of recht bestaat op een vergoeding van rente over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop de Inspecteur dat griffierecht op grond van de uitspraak van de Rechtbank vergoedt.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing