Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:436, 22/434 t/m 22/440

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:436, 22/434 t/m 22/440

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16 januari 2024
Datum publicatie
22 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:436
Zaaknummer
22/434 t/m 22/440
Relevante informatie
Art. 12a Wet LB, Art. 67e AWR

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ontvankelijkheid bezwaar. Inkomsten uit arbeid en aanmerkelijk belang. Vergrijpboetes.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 22/434 tot en met 22/440

uitspraakdatum: 16 januari 2024

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 december 2021, nummers AWB 20/4719 en 20/4721 tot en met 20/4725 (zoals gerectificeerd op 10 februari 2022) en van 10 februari 2022, nummer AWB 20/4726 , in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd:

- navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014.

- navorderingsaanslagen ZVW voor de jaren 2013 en 2014.

- aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016.

Bij beschikkingen is het voor het jaar 2012 vastgestelde verlies uit werk en woning en de (gedeeltelijke) verrekening daarvan met het inkomen uit werk en woning van het jaar 2014 ongedaan gemaakt. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en zijn voor de jaren 2012 tot en met 2015 vergrijpboetes opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 juli 2020 de bezwaren voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar voor het jaar 2015 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard met betrekking tot de vergrijpboetes voor de jaren 2012, 2013 en 2014 en de vergrijpboetes verminderd. De Rechtbank heeft aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 toegekend. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en vergoeding van het griffierecht gelast.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. G.M. Kamps, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was in gemeenschap van goederen gehuwd met [de partner] (hierna: de partner). In december 2013 is de samenwoning tussen hen beëindigd. In oktober 2014 is een verzoek tot echtscheiding ingediend en in juli 2015 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

2.2.

Belanghebbende is interim-manager en verricht in die hoedanigheid managementwerkzaamheden voor verschillende bedrijven.

2.3.

De partner was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam4] BV, waarvan de activiteiten voornamelijk bestonden uit de advisering over pensioenen en het bemiddelen bij het afsluiten van pensioenverzekeringen. In 2010 heeft [naam4] BV haar verzekeringsportefeuille verkocht aan [naam5] (hierna: [naam5] ). Sindsdien beperkten haar activiteiten zich tot de advisering inzake pensioenen. In juni 2015 zijn de aandelen in [naam4] BV voor € 1 verkocht aan [naam6] . Op 3 mei 2016 is [naam4] BV failliet verklaard. Belanghebbende was van 15 december 2003 tot en met 23 oktober 2014 (mede-) bestuurder van [naam4] BV.

2.4.

Belanghebbende heeft op 12 juni 2014 [naam7] BV (hierna: [naam7] BV) opgericht. Met ingang van 1 juli 2014 is de dienstbetrekking van vier werknemers van [naam4] BV overgegaan naar [naam7] BV. Ultimo 2015 waren bij [naam7] BV 8 werknemers in dienst. Vanaf de oprichting tot 11 november 2015 was belanghebbende enig aandeelhouder van [naam7] BV. Met ingang van die datum tot en met 31 januari 2018 was Stichting [naam8] enig aandeelhouder van [naam7] BV. Belanghebbende was bestuurder van deze stichting en van [naam7] BV. [naam7] BV is in 2020 geliquideerd.

2.5.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV en ZVW gedaan naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning: negatief € 37.485 (2012), nihil/geen inkomen (2013), € 97 (2014) en € 24.103 (2016). De aanslag IB/PVV en de verliesvaststellingsbeschikking voor het jaar 2012 alsmede de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 zijn overeenkomstig de aangiften vastgesteld. Na correctie van hypotheekrente aftrek (€ 29.753) en niet-aangegeven loon [naam7] BV (€ 2.143) is het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2014 op € 31.993 vastgesteld en het belastbaar inkomen uit werk en woning na verrekening van verliezen op nihil. Voor de jaren 2013 en 2014 leidde dat ertoe dat geen premie ZVW werd geheven.

2.6.

In 2017 is de Inspecteur een boekenonderzoek bij [naam7] BV gestart. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een verslag van 25 februari 2019. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur correcties op het inkomen van belanghebbende aangekondigd.

2.7.

Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 namens [naam4] BV en in de jaren 2015 en 2016 namens [naam7] BV voor verschillende bedrijven (derden) managementwerkzaamheden heeft verricht. Hiertoe zijn overeenkomsten gesloten op naam van [naam4] BV of [naam7] BV enerzijds en de opdrachtgevers anderzijds. De facturen zijn uitgereikt op naam van [naam4] BV of [naam7] BV, maar de bankrekening waarop betaling diende plaats te vinden, is de privé bankrekening van belanghebbende. De (vaak maandelijkse) betalingen zijn ook feitelijk op de privé bankrekening van belanghebbende ontvangen en belanghebbende heeft daarmee privé uitgaven betaald. Het betreft vooral betalingen door [naam9] BV (hierna: [naam9] BV), waarvoor belanghebbende werkzaamheden als commercieel directeur heeft verricht. In de jaren 2014 tot en met 2016 betreft het uitsluitend betalingen door [naam9] BV. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat deze betalingen moeten worden aangemerkt als door [naam4] BV of [naam7] BV aan belanghebbende gedane betalingen van loon uit dienstbetrekking. Na vermindering met het door belanghebbende in de aangiften aan loon van [naam4] BV of [naam7] BV vermelde bedrag, gaat het om de volgende correcties:

2012

2013

2014

2016

Ontvangen op privé bankrekening

86.630

77.226

76.230

133.705

Loon [naam4] BV of [naam7] BV in aangifte IB/PVV

0

0

0

5.145

Correctie

86.630

77.226

76.230

128.560

2.8.

In de tweede helft van 2014 en begin 2015 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst met [naam9] BV gehad. De hiervoor ontvangen bedragen heeft belanghebbende wel in haar aangiften IB/PVV vermeld.

2.9.

Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat [naam7] BV op haar openingsbalans per 12 juni 2014 een bedrag van € 207.326 voor betaalde goodwill heeft geactiveerd, als zijnde de vergoeding voor een van [naam4] BV overgenomen cliëntenportefeuille. Hiertegenover heeft [naam7] BV een zelfde bedrag gepassiveerd aan van [naam4] BV overgenomen schulden. Het betreft (oude) schulden van [naam4] BV aan [de bank1] , [de bank2] , [naam10] en [naam5] , waarvoor belanghebbende zich hoofdelijk (mede) aansprakelijk had gesteld. In 2014 heeft [naam7] BV een bedrag van € 21.329 en in 2015 een bedrag van € 99.459 betaald ter gedeeltelijke aflossing van deze schulden. De Inspecteur heeft zich voor de heffing van de vennootschapsbelasting van [naam7] BV op het standpunt gesteld dat van overgenomen goodwill geen sprake is geweest en de afschrijving daarop niet geaccepteerd. Voor de heffing van de IB/PVV heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de betalingen op deze schulden moeten worden aangemerkt als aflossingen op privé schulden van belanghebbende. De Inspecteur heeft deze betalingen aangemerkt als uitdelingen van winst door [naam7] BV aan belanghebbende en de genoemde bedragen tot het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend.

2.10.

Samengevat betreft het de volgende correcties. De Inspecteur heeft voor alle jaren belastingrente in rekening gebracht. Tevens zijn voor vier aanslagen IB/PVV vergrijpboetes van 50% (deels gematigd) opgelegd.

2012

2013

2014

2016

Nav

Nav

Nav

Aanslag

Vastgesteld/aangegeven inkomen box 1

-37.485

0

31.993

24.103

Loon op privé bank ontvangen

86.630

77.226

76.230

128.560

Inkomen eigen woning

-34.131

= Inkomen box 1

49.145

43.095

108.223

152.663

Verliesverrekening

-2.296

= Belastbaar inkomen box 1

46.849

43.095

108.223

152.663

Belastbaar inkomen box 2 (uitdeling)

21.329

Navordering IB/PVV / aanslag IB/PVV

14.461

16.033

58.993

55.884

Vergrijpboete

7.230

5.000

20.000

0

2.11.

Naar aanleiding van de aangebrachte correcties zijn over 2013 en 2014 ook navorderingsaanslagen ZVW opgelegd (2013: € 2.873; 2014: € 2.776), ter zake waarvan belastingrente in rekening is gebracht. Met betrekking tot deze aanslagen zijn geen vergrijpboetes opgelegd.

2.12.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 juli 2020 de aanslagen, rente- en boetebeschikkingen voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016 ongegrond verklaard. Het bezwaar voor het jaar 2015 heeft de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering opgevat en dit verzoek in hetzelfde geschrift vervolgens - met rechtsmiddelverwijzing - ongegrond verklaard.

2.13.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende voor het jaar 2015 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft geacht in haar bezwaar. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroepschrift vervolgens als te behandelen bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering doorgezonden naar de Inspecteur. De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV en ZVW voor de andere jaren heeft de Rechtbank ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de beroepen voor die jaren wel gegrond verklaard met betrekking tot de vergrijpboetes en die verminderd. De Rechtbank heeft aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 toegekend. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en vergoeding van het griffierecht gelast.

2.14.

De Inspecteur heeft het door de Rechtbank onder 2.13 genoemde doorgezonden bezwaar tegen de afwijzende beslissing op het verzoek op ambtshalve vermindering van de aanslag over 2015 op 8 september 2023 afgedaan. Hij heeft de vergrijpboete verminderd van € 50.000 naar € 15.000 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak op bezwaar staat onherroepelijk vast.

3 Geschil

In geschil zijn de (navorderings-)aanslagen en de boetebeschikkingen. Tevens is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2015 terecht niet-ontvankelijk is verklaard in bezwaar.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing