Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1137, 22/2192

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1137, 22/2192

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 februari 2025
Datum publicatie
7 maart 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1137
Formele relaties
Zaaknummer
22/2192
Relevante informatie
Art. 8 AWR, Art. 16 AWR, Art. 27e AWR, Art. 47 AWR, Art. 67e AWR, Art. 4a UR AWR 1994

Inhoudsindicatie

VPB. Navorderingsbevoegdheid. Geen nieuw feit of kwade trouw, wel kenbare fout. Vereiste aangifte niet gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Winstcorrectie. Vergrijpboete.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/2192

uitspraakdatum: 25 februari 2025

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2022, nummer AWB 21/2989, ECLI:NL:RBGEL:2022:5184, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbare winst van € 997.579 en een belastbaar bedrag van € 917.688. Tevens zijn bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 6.666 en is € 41.342 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 17 mei 2021 de bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente (gedeeltelijk) gegrond verklaard, het te verrekenen verlies uit voorgaande jaren vastgesteld op € 270.376 en heeft bij uitspraak op bezwaar van - naar het Hof begrijpt - 31 juli 2021 de bezwaren tegen de vergrijpboete ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 907.079 en een belastbaar bedrag van € 636.703, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en heeft de vergrijpboete wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting gematigd tot € 5.666.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2024 te Arnhem. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en mr. J.S. van Daal als gemachtigde, bijgestaan door [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

1.7.

Ter zitting van het Hof hebben beide partijen een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 19 januari 1974 en is actief in de exploitatie van vastgoed.

2.2.

Belanghebbende vormt in het onderhavige jaar een fiscale eenheid voor de Vpb met haar 100%-dochtervennootschap [naam5] B.V.

2.3.

Tot 4 december 2017 had belanghebbende drie aandeelhouders, ieder voor een gelijk deel, te weten [naam6] B.V. ( [naam6] ,), [naam7] B.V. ( [naam7] ) en [naam8] B.V. ( [naam8] ). In 2016 zijn [naam6] en [naam7] de gezamenlijke bestuurders van belanghebbende. Het betreft ten opzichte van elkaar niet-gelieerde aandeelhouders en bestuurders.

2.4

[naam1] ( [naam1] ) is sinds 11 december 2009, via [naam6] waarin hij 100% van de aandelen houdt, als bestuurder belast met de feitelijke exploitatie van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] ( [adres1] ). [adres1] bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van 2.841 m² met opstallen, die vanaf 2008 leeg staan. Voor zijn werkzaamheden ontvangt [naam1] een managementvergoeding van € 150.000 per jaar, via [naam6] .

2.5

[naam6] is tevens 100%-aandeelhouder van [naam9] B.V. ( [naam9] ). Deze twee vennootschappen vormen in het onderhavige jaar een (andere) fiscale eenheid voor de Vpb.

2.6.

Op 19 maart 2015 is het bestemmingsplan van [adres1] gewijzigd en heeft het de functie 'wonen' met daaraan gekoppeld de functieaanduidingen 'gemengd' en 'parkeren' verkregen.

2.7.

Op 2 november 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen alle partijen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en verkoop van [adres1] . Van dit gesprek is een memo gemaakt. In het memo valt te lezen dat de makelaar, de heer [naam10] ( [naam10] ), aan [naam1] heeft gemeld:

"dat gemiddeld € 2.200 haalbaar moet zijn voor appartementen rond de 70 m2 GBO".

Op 3 november 2015 heeft [naam10] in reactie daarop geschreven:

"Op zich is een en ander juist verwoord, met die aanvulling dat ik de uitdaging van € 2.200,- per vierkante meter zeker wil aangaan. Maar dat de huidige marktwaarde zoals aangegeven rond de € 2.000,- per vierkante meter ligt."

2.8.

Op 18 december 2015 hebben [naam1] (namens belanghebbende) en [naam11] B.V. ( [naam11] ), gelieerd aan [naam12] B.V. ( [naam12] ), een intentieovereenkomst getekend. In deze overeenkomst staat beschreven dat partijen de intentie hebben om op (het perceel van) [adres1] , 52 appartementen te bouwen. Daarnaast is overeengekomen dat [naam13] te [plaats1] , in de persoon van [naam10] , gaat fungeren als adviseur voor de verkoop en de verhuur.

2.9.

Op 30 juni 2016 heeft belanghebbende [adres1] verkocht aan [naam12] voor een bedrag van € 1.000.000. Hierna wordt de bouwvergunning voor 52 appartementen aangevraagd.

2.10.

Op 9 juli 2016 wordt ten aanzien van [adres1] (door partijen genoemd: [naam14] ) een ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen [naam1] (of via een door hem of zijn echtgenote aan te wijzen vennootschap) en [naam15] B.V. Uit de overeenkomst blijkt onder meer dat:

- bij elke afzonderlijke levering van één van de 52 appartementsrechten, [naam1] een bedrag van € 9.615 ontvangt. Bij elkaar is dit € 500.000;

- vanaf l juli 2016 [naam12] een renteverplichting van [naam1] overneemt ten bedrage van € 3.300 per maand;

- bij volledige verkoop van het [naam14] , [naam1] 50% van de door [naam12] gerealiseerde projectwinst ontvangt; en

- als de door [naam1] aangedragen belegger [naam16] uiterlijk 31 december 2016 definitief het [naam14] afneemt, [naam1] gerechtigd is tot een variabele vergoeding van 66,66%.

2.11.

Op 9 december 2016 is de onroerende zaak juridisch en feitelijk overgedragen aan [naam12] .

2.12.

Op 1 maart 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb 2016 uitgereikt. In de uitnodiging is met betrekking tot de wijze van het doen van aangifte vermeld:

“Hoe doet u aangifte?

U kunt op twee manieren uw aangifte doen:

- met het aangifteprogramma van de Belastingdienst.

Log hiervoor in bij 'Inloggen voor ondernemers' op belastingdienst.nl. U kunt daar het

aangifteprogramma downloaden.

- met eigen administratiesoftware.”

2.13.

Op 29 maart 2017 heeft belanghebbende, met toepassing van de zogenoemde becon-regeling, verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte Vpb 2016. Op 29 april 2017 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen en omgezet naar een individueel uitstelverzoek. Vervolgens is uitstel verleend tot 1 november 2017.

2.14.

Omdat het niet is gelukt om vóór aanvang van de bouw 70% van de te realiseren appartementen te verkopen, is [adres1] op 8 juni 2017 voor € 1.450.000 vrij op naam verkocht door [naam12] aan [naam17] B.V. ( [naam17] ). Het betreft een koopaannemingsovereenkomst.

2.15.

Op 8 november 2017 heeft belanghebbende verzocht om verder uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte Vpb 2016. Op 30 november 2017 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen.

2.16.

Bij akte van aandelenoverdracht van 4 december 2017 hebben [naam7] en [naam8] hun aandelen in belanghebbende geleverd aan [naam6] . [naam6] heeft voor deze aandelen een totale koopprijs betaald van € 2, overeenkomstig de obligatoire overeenkomst van 14 april 2010 tussen [naam6] , [naam7] en [naam8] . Uit deze obligatoire overeenkomst blijkt verder dat belanghebbende een schuld had aan [naam7] , die per 14 april 2010 is gefixeerd op € 1.350.000.

2.17.

Op 8 december 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd voor de controle van de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2016. Het onderzoek is later uitgebreid tot de Vpb (beoordelen van de onroerend goedtransactie [adres1] en de hieraan verbonden leningen o/g).

2.18.

Op 4 januari 2018 heeft de controlerend ambtenaar van de Belastingdienst ( [naam18] , hierna: [naam18] ) aan de gemachtigde van belanghebbende ( [naam2] , hierna: [naam2] ) met betrekking tot het uit te voeren boekenonderzoek in een e-mail, onder meer, geschreven:

“Naar aanleiding van de kennismaking en de beoordeling van de administratie, van de ondernemingen binnen de [naam19] c.s., gisteren stuur ik u hierbij puntsgewijs de vragen die wij einde middag bespraken.

• Aangiften VPB 2013 en 2014 zijn door u niet ingediend als zijnde een FE maar uitsluitend enkelvoudig: [naam20] BV. De resultaten van deelneming [naam5] BV ontbreken. De aangiften 2015 is door u al ingediend maar niet zichtbaar bij ons. U gaf aan een en ander na te kijken/vragen bij uw adviseur en mij te berichten. (…)”

2.19.

Omdat op 1 november 2017 de aangifte Vpb 2016 niet door de Inspecteur was ontvangen, werd op 29 januari 2018 een herinnering verstuurd aan belanghebbende. Hierbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om vóór 13 februari 2018 alsnog een aangifte Vpb 2016 in te dienen.

2.20.

In een e-mail van 30 januari 2018 heeft [naam18] aan [naam2] , onder meer, geschreven:

“1. Het pand in [plaats1] aan de [adres1] is verkocht voor €1 mio. De koop is gesloten zonder verdere betrokkenheid van belastingplichtige of haar aandeelhouders. Hoe u bent gekomen aan de uiteindelijke verkoopprijs daarvan zal een taxatierapport aanwezig zijn. Een kopie van dit taxatierapport wil ik graag inzien.

Ook gaf u aan dat er na 2007 meerdere bedrijven hebben overwegen het pand te willen huren. Kunt u dit nader vormgegeven?

2. De aangifte VPB 2015 heeft uw accountant, volgens zijn zeggen, ingediend. Normaliter stuurt de belastingdienst een bevestiging. De aangifte hebben wij nog niet ontvangen en een kopie van een bevestiging is vooralsnog nog niet beschikbaar. Een kopie van de ingediende aangifte VPB 2015 kunt u mij sturen.”

2.21.

Het interne systeem van de Belastingdienst vermeldt 31 januari 2018 als datum van indiening van de aangifte Vpb 2015 van belanghebbende.

2.22.

Omdat op 12 februari 2018 nog geen aangifte Vpb 2016 was ingediend, heeft de Inspecteur op 9 maart 2018 een aanmaningsbrief naar belanghebbende verstuurd waarbij 23 maart 2018 als uiterste reactiedatum is gegeven.

2.23.

In zijn e-mail van 15 maart 2018 heeft [naam2] aan [naam18] onder meer geschreven:

“Voor de waardebepaling van de grond in [plaats1] heb ik een aantal Stiko's bijgevoegd.

Stiko is de afkorting voor Stichtingskosten opzet.

Projectontwikkelaars gebruiken deze rekenmethode om de grondwaarde te berekenen.

In een Stiko worden alle kosten op een rijtje gezet om een winstberekening van een

project uit rekenen.

Elke projectontwikkelaar heeft een eigen norm cq risico percentage voor een minimaal

winstmogelijkheid.

In de Stiko worden onder meer de omzet/opbrengsten verwerkt alsmede de bouwkosten

en grondkosten.

Tevens worden alle kosten voor ontwikkeling zoals architect ed verwerkt.

Ik heb op de Stiko in geel gearceerd wat de ontwikkelaar uitrekent wat de grond zou

mogen kosten om het project succesvol af te ronden.

Uit de cijfers blijkt dat de aflopen jaren (mede door de stijgende behoefde aan woningen)

de grondewaarde is toegenomen.

Grondwaarde berekening

[naam21] 2012 € 236.632

[naam22] 2016 € 950.000

[naam15] 2016 € 1.000.000

2.24.

In een e-mail van 16 maart 2018 heeft [naam18] aan [naam2] , onder meer, geschreven:

“Zoals zojuist telefonisch besproken kom ik nog even terug op het aanleveren van de VPB-aangiften 2015 en 2016. Voor 2015 is er geen fiscale winstaangifte ingediend van de Fiscale eenheid [naam19] c.s. BV maar heeft u zich beperkt tot uitsluitend het moederbedrijf van deze fiscale eenheid VpB.

U gaf aan dit a.s. woensdag te willen herstellen door een nieuwe of aangepaste fiscale winstaangifte 2015 en de fiscale winstaangifte 2016 in te dienen. Ik zou u willen verzoeken als u dit doet mij een kopie te zenden van de ingediende aangiften 2015 en 2016.”

2.25.

In een e-mail van 29 maart 2018 heeft de accountant van belanghebbende aan [naam2] onder meer geschreven:

“Excuses voor het oponthoud, maar in de bijlage de cijfers VPB 2016.”

2.26.

In een e-mail van 30 maart 2018 heeft [naam2] aan [naam18] onder meer geschreven:

“Excuses voor de vertraging, maar hierbij stuur ik u een kopie van de eerder ingediende aangifte VPB 2016.”

Bijgevoegd zijn scans van de aangifte en de bij de aangifte VPB 2016 behorende jaarstukken van de fiscale eenheid, [belanghebbende] BV en [naam5] BV. De daaruit voor het jaar 2016 af te leiden belastbare winst van belanghebbende bedraagt € 199.100.

2.27.

Op 6 juni 2018 heeft [naam18] in een interne e-mail aan een collega bij de Belastingdienst geschreven:

“Op 21 maart 2018 heb ik van de controller van bovengenoemde entiteit een verbeterde aangifte VPB 2015 gehad alsook de VPB aangifte 2016. Aanleiding dit te doen kwam voort uit mijn lopend onderzoek. Zij hadden over 2015 enkelvoudig ingeleverd en over 2016 helemaal niets. In ABS zie ik de binnenkomst van deze aangifte niet staan. De correcties ten aanzien van 2015 gaan al naar € 300.000.

Ben jij in staat deze aangiften te blokken? Komend weekend ga ik op verlof tot 2 juli vandaar deze preventie-vraag.”

Nog diezelfde dag reageert die collega per e-mail aan [naam18] als volgt:

“Helaas de aangifte (aanslag) VPB 2015 en 2016 zijn al definitief vastgesteld (…)”

2.28.

Met dagtekening 16 juni 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een ambtshalve aanslag Vpb 2016 opgelegd, naar een belastbare winst van € 300.000 en een belastbaar bedrag van € 14.224. Tevens zijn bij beschikkingen een verzuimboete van € 2.639 opgelegd en is € 245 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.29.

Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de ambtshalve aanslag Vpb 2016 heeft de Inspecteur op 15 augustus 2018 aan belanghebbende geschreven:

“Ik kan uw bezwaar niet in behandeling nemen, omdat de aangifte niet is ingekomen. Ik stel u in de gelegenheid vóór 13 september 2018 alsnog de aangifte in te dienen.”

2.30.

Op 13 september 2018 heeft belanghebbende digitaal een aangifte Vpb 2016 ingediend. Hierin is onder meer een belastbare winst van € 199.100 en een belastbaar bedrag van € 54.077 aangegeven.

2.31.

In het kader van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur op 13 maart 2019 een derdenonderzoek uitgevoerd bij [naam12] . Hierbij heeft de Inspecteur een taxatierapport in zijn bezit gekregen met datum september 2016 dat is opgesteld door [naam23] . In dat rapport is voor [adres1] , uitgaande van een gemiddeld voor de te verkopen appartementen te realiseren verkoopprijs van € 2.200/m2, een residuele grondwaarde berekend van € 1.750.000. Het door de Inspecteur van het derdenonderzoek opgestelde verslag vermeldt onder meer (namen zijn deels weggelakt):

“ …… legt uit dat hij ……. heeft ontmoet via [naam11] BV bij de bouw van een [naam24] in [plaats2] . Zij kwamen in gesprek en [naam1] bood [plaats1] aan. De vraagprijs van [naam1] was veel hoger dan hetgeen ……. wilde betalen. Uiteindelijk zijn ze eruit gekomen en is de deal beklonken op € l.mio. ………antwoordt op de vraag of er nog andere betalingen aan [naam1] zijn gedaan, onderhands, bij de notaris om. Hierop antwoordt ……….dat [naam1] een vergoeding heeft gehad vanuit [naam11] op deze transactie omdat hij kennis en contacten had met [naam17] .”

2.32.

Op 28 maart 2019 heeft de Inspecteur ook een derdenonderzoek aangekondigd bij [naam9] . Uit de derdenonderzoeken is gebleken dat vanaf juli 2017 tot en met december 2018 [naam9] in totaal € 700.000 exclusief btw aan 'bemiddelingsprovisie inzake [adres1] ' heeft ontvangen van [naam11] (de bouwer van het [naam14] ).

2.33.

Met dagtekening 21 augustus 2019 is van het boekenonderzoek een controlerapport opgesteld. In paragraaf 3.3.1, pagina 12 en 13, heeft de controleambtenaar zijn bevindingen ter zake van de verkoop van [adres1] samengevat. Deze komen er kort gezegd op neer dat volgens de controleambtenaar [naam1] een gedeelte van de koopsom, ad € 700.000, welke aan belanghebbende toekwam, kennelijk in overleg met [naam12] , in 2017 en 2018 heeft afgerekend en ontvangen in een andere aan [naam1] toebehorende vennootschap, om daarmee de reductie van de aflossing van de lening aan [naam7] in een finale kwijting te kunnen afdwingen. Als gevolg hiervan is de waarde van [adres1] volgens de controleambtenaar bewust lager vastgesteld dan de getaxeerde waarde van € 1.750.000, zoals die uit het taxatierapport en uit het bedrag dat [naam12] uiteindelijk ook heeft betaald blijkt. Naast de koopsom van € 1.000.000 is in totaal € 700.000 betaald aan een onderneming van [naam1] ( [naam9] ) met omschrijving bemiddelingsprovisie. De Belastingdienst concludeert in het rapport tot een winstbijtelling bij belanghebbende over het jaar 2016 van € 750.000 (€ 1.750.000 -/- € 1.000.000). Vervolgens heeft de Inspecteur in paragraaf 5.2 van het rapport een vergrijpboete ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst aangekondigd. In verband met strafverminderende omstandigheden is in het rapport voorgesteld de boete te matigen tot € 20.000. De boete is vervolgens verdeeld over de jaren 2014 tot en met 2016. Dit is per jaar € 6.666.

2.34.

Met dagtekening 19 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de navorderingsaanslag Vpb 2016 met vergrijpboete opgelegd. Naast een correctie van € 750.000 voor de verkoop van [adres1] zijn nog overige correcties van € 48.479 nagevorderd.

2.35.

Bij brief van 28 oktober 2019 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Op 14 september 2020 heeft de taxateur van de Belastingdienst een taxatiebeoordeling uitgevoerd. Om de door [naam23] uitgevoerde taxatie goed te kunnen beoordelen, heeft hij van [naam23] het rekenmodel ontvangen. De taxateur van de Belastingdienst heeft geconcludeerd dat het uitgangspunt van € 2.200/m2 opbrengst plausibel is om tot een residuele grondwaarde van € 1.750.000 te komen.

2.36.

Bij brief van 17 mei 2021 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Aan het bezwaar is gedeeltelijk tegemoet gekomen door de overige correcties te verminderen met € 40.500. Met dagtekening 31 juli 2021 is bij beschikking de belastbare winst verminderd tot € 957.079 en het belastbaar bedrag nader vastgesteld op € 686.703. Bij beschikking is een verlies verrekend van € 270.376. De belastingrente is verminderd naar € 30.319.

2.37.

Bij uitspraak op bezwaar van – naar het Hof begrijpt – 31 juli 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de vergrijpboete ongegrond verklaard en de boete van € 6.666 gehandhaafd.

2.38.

De Rechtbank heeft – kort gezegd – overwogen dat belanghebbende voor het jaar 2016 de vereiste aangifte niet heeft gedaan op grond waarvan ook voor de onderhavige navorderingsaanslag de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Naar het oordeel van de Rechtbank berust de opgelegde navorderingsaanslag op een redelijke schatting door de Inspecteur. De Rechtbank acht belanghebbende niet geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. Wel dient nog rekening te worden gehouden met het door de Inspecteur in beroep nader ingenomen standpunt dat de winstcorrectie voor de verkoop van [adres1] dient te worden beperkt tot € 700.000. Ten aanzien van de boete heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan opzet van belanghebbende en haar bestuurder [naam1] is te wijten dat de aanslag Vpb 2016 tot een te laag bedrag werd vastgesteld. De Rechtbank heeft daarop de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 907.079 en een belastbaar bedrag van € 636.703. Vanwege het overschrijden van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de vergrijpboete met 15% gematigd tot € 5.666.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de navorderingsaanslag Vpb 2016 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd en of de boetebeschikking terecht is vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende stelt dat:

A. i) de Inspecteur niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit

ii) bij belanghebbende ten aanzien van dat feit geen sprake is van kwade trouw

iii) geen sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR)

B. i) de vereiste aangifte is gedaan

ii) omkering en verzwaring van de bewijslast in het onderhavige geval een disproportionele sanctie is

iii) voor de bestreden winstcorrectie [adres1] geen aanleiding bestaat

iv) de vergrijpboete ten onrechte werd opgelegd

3.3.

De Inspecteur stelt dat:

A. i) sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit

ii) bij belanghebbende sprake is van kwade trouw ten aanzien van dat feit

iii) sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c

van de AWR

B. i) belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan

ii) omkering en verzwaring van de bewijslast geboden is

iii) de winstcorrectie [adres1] van € 700.000 terecht is

iv) de vergrijpboete terecht aan belanghebbende werd opgelegd

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de en van de Inspecteur en tot vermindering van de navorderingsaanslag Vpb 2016 tot een naar een belastbare winst van € 207.079 en naar een belastbaar bedrag van nihil, vermindering van het bij beschikking vastgestelde te verrekenen verlies tot € 207.079 en vernietiging van de boetebeschikking.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing