Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1240, 24/1606 en 24/1607

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1240, 24/1606 en 24/1607

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27 februari 2025
Datum publicatie
12 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1240
Zaaknummer
24/1606 en 24/1607
Relevante informatie
Art. 8:15 Awb, Art. 8:16 Awb, Art. 8:18 Awb, Art. 8:36c Awb, Art. 8:81 Awb, Art. 8:86 Awb, Art. 67d AWR

Inhoudsindicatie

Zittingsrechter maakt gebruik van de bevoegdheid om een herhaald wrakingsverzoek buiten behandeling te laten (vgl. HR (straf) 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:370). Onmiddellijk uitspraak in hoofdzaak na verzoek voorlopige voorziening (kortsluiting). Hoger beroep ongegrond. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1606 en 24/1607

uitspraakdatum: 27 februari 2025

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter

met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2024, ARN 22/5751, en het verzoek om voorlopige voorziening in het geding tussen

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.708, resulterend in een verschuldigd bedrag van € 20.188 na verrekening van eerder verleende teruggaven. Verder is een vergrijpboete (50%) van € 9.883 opgelegd wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Voorts is belastingrente van € 107 in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 7 september 2022 het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV 2018 en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot € 2.000.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 31 juli 2024, nr. ARN 22/5751, het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft op 3 augustus 2024 verzocht om wraking van de rechter die de zaak bij de Rechtbank heeft behandeld. De wrakingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 19 augustus 2024, nr. C/05/439599/KG RK 24-598, ECLI:NL:RBGEL:2024:6149, belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking, omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan.

1.5.

Belanghebbende heeft op 19 augustus 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank van 31 juli 2024 hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft belanghebbende tevens aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat uitstel van betaling van de aanslag IB/PVV 2018 en van de boete wordt verleend.

1.6.

Bij bericht van 23 oktober 2024 is belanghebbende uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 19 december 2024 van zowel het verzoek om een voorlopige voorziening als de hoofdzaak. In de uitnodiging is vermeld dat de zaken worden behandeld door raadsheer Van Suilen.

1.7.

Belanghebbende heeft bij bericht van 18 december 2024 een wrakingsverzoek ingediend.

1.8.

De wrakingskamer heeft dit verzoek opgevat als zijnde gericht tegen mr. Van Suilen, en heeft dit verzoek tot wraking bij beslissing van 28 januari 2025, W200.349.127/01, ECLI:NL:GHARL:2025:469, afgewezen.

1.9.

Bij bericht van 29 januari 2025 is belanghebbende uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 27 februari 2025 van het verzoek om een voorlopige voorziening. Daarbij heeft de griffier belanghebbende gewezen op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om na de zitting onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak als de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In de uitnodigingen is vermeld dat de zaken worden behandeld door raadsheer Van Suilen.

1.10.

Belanghebbende heeft bij bericht van 26 februari 2025, 13:56 uur, andermaal een wrakingsverzoek ingediend. De griffier heeft in reactie daarop belanghebbende om 15:59 uur bericht dat dit verzoek ter zitting van 27 februari 2025 zal worden besproken.

1.11.

Belanghebbende heeft in reactie daarop bij bericht van 26 februari 2025, 19:43 uur, verzocht de mondelinge behandeling ter zitting uit te stellen totdat de wrakingskamer op het wrakingsverzoek heeft beslist. De griffier heeft aan belanghebbende meegedeeld geen aanleiding te zien tot uitstel van de zitting. Laatstgenoemd bericht is op 27 februari 2025 om 8:51 uur geplaatst in het digitale dossier op Mijn Rechtspraak. Van de vrijgave van dit bericht in het digitale dossier is op hetzelfde tijdstip een notificatiebericht verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Gelet daarop wordt aangenomen dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen.1

1.12.

Het onderzoek ter zitting over de voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025 om 13.30 uur te Arnhem. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , mr. [naam2] en [naam3] . Het onderzoek ter zitting is gesloten om 14:05 uur. Daarna heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [geboortedatum] , heeft op 7 september 2018 aan de Inspecteur verzocht om een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 vast te stellen, naar een loon van € 46.146 en een aftrekpost eigen woning van € 26.919. De Inspecteur heeft op 29 september 2018 de voorlopige aanslag overeenkomstig het verzoek vastgesteld en een teruggaaf verleend van € 11.708. Deze teruggaaf is uitbetaald op een bankrekeningnummer van belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende heeft op 7 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.556. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag aan ingehouden loonheffing vermeld van € 49.954. De Inspecteur heeft op 2 augustus 2019 een nadere voorlopige aanslag overeenkomstig de aangifte vastgesteld en een extra teruggaaf verleend van € 11.306. Ook deze teruggaaf is uitbetaald op een bankrekeningnummer van belanghebbende.

2.3.

De Inspecteur heeft in brieven van 27 januari 2020, 23 april 2020 en 25 mei 2020 aan belanghebbende vragen gesteld over de ingediende aangifte. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. Daarop heeft de Inspecteur op 6 juli 2020 de volgende brief gestuurd:

“Betreft: Voornemen af te wijken van aangifte

Geachte [belanghebbende] ,

Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018 (hierna: "aangifte IH 2018”) ontvangen. U bent in uw aangifte afgeweken van de gegevens die wij vooraf hebben ingevuld. In deze brief leest u waarom ik niet akkoord ga met de door u ingevulde gegevens. Ik ben daarom van plan van uw aangifte af te wijken.

Ik heb u op u op 27 januari, 20 april en 25 mei verzocht om nadere gegevens te verstrekken waaronder de jaaropgave 2018 van [bedrijfsnaam] . Voor zover mij nu bekend hebt u hierop niet geantwoord.

1 Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Inkomsten uit loondienst

Uit ontvangen informatie blijkt dat u een bedrag van € 13.328 aan inkomsten uit loondienst hebt ontvangen van [bedrijfsnaam] . In de aangifte is een bedrag van € 73.328 aan inkomsten uit loondienst aangegeven. In mijn brieven van 27 januari 2020 en 20 april 2020 en 25 mei 2020 heb ik u verzocht om informatie over deze aangegeven inkomsten uit loondienst. Tot op heden heb ik geen reactie van u ontvangen. Daarnaast hebt u de gegevens in de vooringevulde aangifte aangepast. Omdat ik niet kan beoordelen of en in hoeverre het door u aangegeven bedrag te hoog is en omdat deze gegevens afwijken van de ons beschikbare gegevens, ben ik van plan om op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 60.000.

Reisaftrek openbaar vervoer

Uit mijn gegevens blijkt dat u aan reiskosten een vergoeding hebt ontvangen van € 1.152. Deze vergoeding heeft u niet vermeld in de aangifte IH 2018. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.152.

Overzicht afwijking(en) van het inkomen uit werk en woning

- Inkomsten uit loondienst € - 60.000

- Reisaftrek openbaar vervoer € -1.152

Totaalbedrag van de afwijking(en) € -61.152

Bijzondere situaties en te verrekenen voorheffingen

Loonheffing

Op het loon van [bedrijfsnaam] is totaal € 3.954 aan loonheffing ingehouden. In de aangifte IH 2018 hebt u hiervoor aan ingehouden loonheffing echter een bedrag van € 49.954 vermeld. U bent in uw aangifte afgeweken van de gegevens die wij vooraf hebben ingevuld. De gegevens die u hebt aangepast komen niet overeen met de ons beschikbare informatie. Ik ben dan ook van plan om van het totaal van de te verrekenen voorheffingen in de aangifte af te wijken met een bedrag van € 46.000.

Vergrijpboete

Op grond van artikel 67d, lid 1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: "AWR") en paragraaf 25 en 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst heb ik naast het voornemen om af te wijken van de aangifte, het voornemen om u een vergrijpboete op te leggen.

Motivering opleggen vergrijpboete

Zoals ik hierboven heb aangegeven, heb ik geconstateerd dat u in het jaar 2018 de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 hebt ingevuld met behulp van de vooringevulde aangifte. Hierbij hebt u de vooringevulde inkomsten uit loondienst van de werkgever [bedrijfsnaam] ad € 13.328 verhoogd met een bedrag van € 60.000 naar een bedrag van € 73.328. Tegelijkertijd hebt u het bedrag aan ingehouden loonheffingen op deze inkomsten ad € 3.954 verhoogd met een bedrag van € 46.000 naar een bedrag van € 49.954.

Ten eerste heb ik u herhaaldelijk gevraagd om informatie aan te leveren over de door u aangegeven inkomsten van [bedrijfsnaam] . In het kader van het boeteonderzoek heb ik u gevraagd waarom u bent afgeweken van de gegevens zoals deze staan vermeld in de vooringevulde aangifte IH 2018. Op deze verzoeken hebt u niet gereageerd. Ten tweede is gebleken dat u twee keer een aangifte IH 2018 hebt ingediend waarbij u zowel het bedrag van de inkomsten als het bedrag van de ingehouden loonheffing met onjuiste gegevens hebt aangepast. Geen van deze ontvangen bedragen komen overeen met de ons beschikbare informatie. Op basis van deze aangiften zijn voorlopige aanslagen opgelegd. Deze aangiften leiden tot een (hogere) teruggaven. Ten derde is gebleken dat u in meerdere belastingjaren, te weten 2019 en 2020, eveneens een aangifte IH hebt ingediend waarbij u zowel het bedrag van de inkomsten als het bedrag van de ingehouden loonheffing met onjuiste gegevens hebt aangepast. De van u ontvangen loonstroken komen eveneens niet overeen met de door u vermelde inkomsten en ingehouden loonheffing.

Daarom ben ik van mening dat u bewust de gegevens in uw aangifte IH 2018 hebt aangepast met het doel om minder belasting te betalen en dat u kennelijk daartoe ook de wil had omdat u voor meerdere belastingjaren eveneens onjuiste gegevens in uw aangifte hebt opgenomen. Ik kwalificeer dit als opzet, waarvoor een vergrijpboete van 50% zal worden opgelegd.

(…)

Ik ben dan ook van plan om gelijktijdig met de aanslagen IH en ZVW een vergrijpboete op te leggen op grond van artikel 67d van de AWR. Op grond van deze bepaling juncto paragraaf 25 en 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, wordt bij opzet in beginsel een boete van 50% van de ten gevolge van die opzet te weinig geheven inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd. Dit geldt voor de correctie van de inkomsten uit loondienst van negatief € 60.000 in combinatie met de correctie van de ingehouden loonheffing van € 46.000. Dit leidt tot een vergrijpboete van € 10.278 (berekend over 50% van het bedrag van de. te weinig geheven inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet).

Afhankelijk van de vraag of sprake is van strafverminderende of strafverzwarende omstandigheden, kan dit percentage bijgesteld worden. Op dit moment heb ik geen reden om aan te nemen dat sprake is van strafverminderende omstandigheden. Ik acht een boete van 50% van de ten gevolge van opzet te weinig geheven belasting dan ook passend en geboden.”

2.4.

Naar aanleiding van voornoemd voornemen om de aanslag IB/PVV 2018 met een vergrijpboete op te leggen, is belanghebbende op 17 september 2020 telefonisch gehoord. In het hoorverslag is daarover onder meer het volgende vermeld:

“5. (…) a) Hoogte van de aanslag na correcties

Belanghebbende

Belanghebbende geeft aan dat hij de voorgestelde correcties van het inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking, de ingehouden loonheffing en de reisaftrek openbaar vervoer begrijpt. Deze correcties worden niet door hem betwist. Het vast te stellen bedrag van de aanslag na correcties begrijpt hij overigens niet. Volgens zijn berekeningen bedraagt de aanslag na correctie € 8.882 en geen € 20.995 (bedrag voor vergrijpboete). Belanghebbende geeft aan dat hij rekening heeft gehouden met een bedrag van € 11.000 die hij al eerder had ontvangen, maar dat verklaart niet het verschil. De vergoeding voor reisaftrek openbaar vervoer heeft belanghebbende van zijn werkgever ontvangen. Deze vergoeding heeft hij niet opgenomen in de aangifte IH 2018. Belanghebbende betwist deze correctie niet.

Belastingdienst

De Belastingdienst geeft aan dat op basis van de bij ons bekende gegevens aan belanghebbende twee voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2018 (hierna: "Voorlopige aanslag IH 2018") zijn uitbetaald. Het betreft de volgende voorlopige aanslagen:

- 0442.32.172. H.80.01, met dagtekening 29 september 2018, met een bedrag van € 11.708

- 0442.32.172. H.80.02, met dagtekening 2 augustus 2019 en met een bedrag van € 11.389.

Door de correcties moet het totale bedrag van de voorlopige aanslagen worden terugbetaald. Het verschil tussen de bedragen van € 8.882 en € 20.995 kan worden verklaard door het feit dat Belanghebbende rekening houdt met de terugbetaling van een voorlopige aanslag in plaats van twee voorlopige aanslagen.

(…)

c) Vergrijpboete

Belanghebbende

Belanghebbende geeft dat hij de vooringevulde aangifte heeft gedownload. Deze vooringevulde aangifte heeft hij niet gecontroleerd en heeft in de online aangifte, na het downloaden, alle vragen met "akkoord" beantwoord. Vervolgens heeft hij de aangifte ondertekend met zijn digid-code en de aangifte digitaal aan ons verzonden. Belanghebbende kan niet verklaren hoe de gegevens die zijn ingevuld in de door hem ingediende aangifte IH 2018 terecht zijn gekomen. Belanghebbende verklaard dat hij niet bewust de aangifte onjuist heeft verzonden.

Belastingdienst

De Belastingdienst geeft aan dat door Belanghebbende op meerdere datums de vooringevulde aangifte is gedownload. De Belastingdienst heeft op meerdere datums een aangifte IH 2018 met andere, dan de vooringevulde gegevens, ontvangen. Dit kan als volgt worden weergegeven:

- Op 8 april 2019 is de vooringevulde aangifte gedownload. In de aangifte is een inkomen van [bedrijfsnaam] opgenomen van € 13.328 en een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.954.

- Op 8 april 2019 is de aangifte IH 2018 ontvangen van belanghebbende. In deze ontvangen aangifte is een inkomen van [bedrijfsnaam] opgenomen van £ 73.328 en een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 49.954.

- Op 9 juli 2019 is de vooringevulde aangifte gedownload. In de aangifte is een inkomen van [bedrijfsnaam] opgenomen van € 13.328 en een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.954.

- Op 9 juli 2019 is de aangifte IH 2018 ontvangen van belanghebbende. In deze ontvangen aangifte is een inkomen van [bedrijfsnaam] opgenomen van € 73.328 en een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 49.954.

De Belastingdienst vraagt hoe belanghebbende kan verklaren dat de door hem ingediende aangiften anders zijn dan de vooringevulde aangiften. Belanghebbende heeft hier geen verklaring voor.

(…) Belanghebbende geeft aan dat hij onbewust een fout heeft gemaakt en hij is van plan om de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen.”

2.5.

In zijn brief van 6 oktober 2020 heeft belanghebbende gereageerd op het hoorverslag. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“5. A) Correct de hoogte van de aanslag zoals de belastingdienst het heeft berekend is correct nadien ik dat met mijn eigen administratie heb vergelijken. De onduidelijkheid dat ik alsnog op een verschil van 11.000 euro uit kwam, is nu ook duidelijk. (…)

C) Klopt ik heb de vooraf ingevulde informatie die verwerkt is in de online aangifte pagina blindelings vertrouwd en gebruikt. Dit was achteraf heel stom van mij, want hier door zit ik nu met een mogelijke vergrijpboete. Ik betwist ook niet dat ik deze niet had moeten nalopen, dat had ik wel moeten doen. Ik had te veel vertrouwen in het systeem van de belastingdienst dat het correct zou staan. (…) Hoe die gegevens incorrect stonden ingevuld heb ik persoonlijk ook geen verklaring voor, maar ik verwacht door een fout in het systeem van de belastingdienst. Het ten onrechte maar buiten mijn schuld ontvangen bedrag zal ik gaan terug betalen aan de belastingdienst.

Mijn eigen toevoeging.

Ik vond het gesprek fijn verlopen, duidelijke taal naar mij toe, maar wel vriendelijk en niet bang makend. En daarvoor complimenten. Hierdoor is het prettiger en makkelijker te communiceren met elkaar.”

2.6.

Als bijlage bij voornoemde brief heeft belanghebbende de jaaropgaaf 2018 gevoegd van zijn (oud-)werkgever [bedrijfsnaam] , waarop is vermeld een loon van € 13.328 en ingehouden loonheffing van € 3.954.

2.7.

De Inspecteur heeft de volgende definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd:

Aangifte

Aanslag

Loon [bedrijfsnaam]

73.328

13.328

Reisaftrek

- 1.239

- 87

Belastbaar loon

72.089

13.241

Eigen woning

- 533

- 533

Belastbaar inkomen box 1

71.556

12.708

Verschuldigde IB/PVV

26.940

1.128

Ingehouden loonheffing [bedrijfsnaam]

- 49.954

- 3.954

Teruggaaf IB/PVV

- 23.014

- 2.826

Reeds teruggaaf bij voorlopige aanslag 29 sept 2018

- 11.708

- 11.708

Teruggaaf bij voorlopige aanslag 2 aug 2019

- € 11.306

- 11.306

Te betalen

€ 20.188

Vergrijpboete (50%)

€ 9.883

2.8.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen opgelegde aanslag IB/PVV 2018 en de vergrijpboete. In dat verband is belanghebbende op 19 juli 2022 gehoord. Van het telefonisch hoorgesprek is een verslag gemaakt waarin onder meer het volgende is vermeld:

Het woord is eerst aan belanghebbende. Belanghebbende geeft aan dat hij het logisch vindt dat hij het teveel ontvangen bedrag aan belasting dat hij heeft ontvangen moet terugbetalen. Echter is hij van mening dat de boete onmenselijk hoog is. Hij geeft aan dat er geen sprake is van opzet en snapt niet hoe dit zo heeft kunnen gebeuren. (…) Hij geeft aan dat hij van mening is dat de gegevens in de aanslag 2018 juist zijn en dat hij zich ook zal inzetten om het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen terug te betalen, maar de boete is naar zijn mening proportioneel te hoog en niet menselijk.

2.9.

De Inspecteur heeft op het bezwaar beslist in zijn uitspraak van 7 september 2022. Daarbij heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot € 2.000. Ter motivering van de vergrijpboete heeft de Inspecteur het volgende aangevoerd:

Er heeft zich het volgende feitencomplex voorgedaan:

1. Op 7 september 2018 hebt u een wijziging voorlopige aanslag ingediend. U hebt in deze aangifte de inkomsten van [bedrijfsnaam] aangegeven voor een bedrag van € 46.146. Tevens hebt u belastbare inkomsten uit eigen woning aangegeven van € -25.715. Dit heeft geresulteerd in een voorlopige aanslag met een teruggave van € 11.708.

2. Op 8 april 2019 (2x) en 11 december 2019 hebt u de gegevens van de VIA gedownload. In beide gevallen waren in de VIA de volgende inkomensgegevens opgenomen:

• Inkomsten uit loondienst ontvangen van [bedrijfsnaam] ten bedrage van € 13.328. Met een ingehouden loonheffing van € 3.954.

3. Op 8 april 2019, dezelfde dag dat u de VIA-gegevens hebt gedownload, hebt u de definitieve aangifte ingediend. Deze aangifte hebt u met behulp van de VIA ingediend. U hebt in de definitieve aangifte de looninkomsten van [bedrijfsnaam] verhoogd met een bedrag van € 60.000 naar een bedrag van € 73.328. Tegelijkertijd hebt u het bedrag aan ingehouden toonheffingen op deze inkomsten van € 3.954 verhoogd met een bedrag van € 46.000 naar een bedrag van € 49.954. Dit heeft geresulteerd in een voorlopige aanslag met een teruggave van € 11.389.

4. In de aanslagfase is u herhaaldelijk gevraagd om informatie aan te leveren over de door u aangegeven inkomsten van [bedrijfsnaam] . In het kader van het boeteonderzoek is aan u gevraagd waarom u bent afgeweken van de gegevens zoals deze vermeld staan in de VIA. Op deze verzoeken hebt u niet gereageerd.

5. De loonstroken die u in de aanslagfase hebt verstrekt komen eveneens niet overeen met de door u vermelde inkomsten en ingehouden toonheffing, maar komen wel overeen met de gegevens zoals vermeld in de VIA. Tijdens het hoorgesprek van 17 september 2020 hebt u verklaard dat u de VIA niet hebt gecontroleerd. Ook verklaart u dat u in de online aangifte, na het downloaden, alle vragen met "akkoord' hebt beantwoord. Vervolgens ondertekende u deze aangifte met uw DIGID-code en verzond u de aangifte digitaal naar de Belastingdienst. Tijdens het hoorgesprek kon u niet verklaren hoe de gegevens in uw aangifte terecht zijn gekomen. Ook hebt u verklaard dat u geen doelbewuste actie hebt ondernomen om de aangiften met onjuiste gegevens in te vullen. U hebt aangegeven dat het niet loont om deze gegevens aan te passen.

6. In de aanslagfase hebt u in uw brief van 7 oktober 2020 aangegeven dat u van mening bent dat er sprake is van slechte financiële omstandigheden. In het bezwaarschrift geeft u eveneens aan dat er sprake is van slechte financiële omstandigheden.

7. Ten slotte is er gebleken dat u in meerdere belastingjaren, te weten, 2019 en 2020 eveneens een (voorlopige) aangifte IH hebt ingediend waarbij u zowel het bedrag van de inkomsten als het bedrag van de ingehouden toonheffing met onjuiste gegevens hebt aangepast.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden ben ik van mening dat u moedwillig (dus bewust) de loonheffing in de aangifte 2018 hebt verhoogd met de bedoeling minder belasting te betalen of in uw geval een onterechte teruggave te realiseren. Ook het feit dat u voor meerdere belastingjaren eveneens onjuiste gegevens in uw aangifte hebt opgenomen bevestigt uw bedoeling om een onterechte teruggave te realiseren.

Voor het indienen van de aangiftes hebt u uw eigen DigiD gebruikt. Voorts hebt u de vooraf ingevulde aangifte geraadpleegd en gedownload. Dat door u andere loongegevens zijn ingediend dan de loongegevens uit de vooraf ingevulde aangifte leidt tot de conclusie dat u de loongegevens handmatig hebt aangepast. Ook uw verklaring dat u geen doelbewuste actie hebt ondernomen om de aangiften met onjuiste gegevens in te vullen, omdat het niet loont om deze gegevens aan te passen, acht ik onaannemelijk. Met de door u ingediende aangiften hebt u teruggaven van in totaal € 23.014 (exclusief belastingrente) bewerkstelligd.

(…) Op 19 juli 2022 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden. In dit hoorgesprek hebt u aangegeven dat u de teveel ontvangen bedragen aan belasting zal terugbetalen. Echter bent u van mening dat de boete onmenselijk en onevenredig hoog is. U hebt aangegeven dat u meer bent gaan werken om de bedragen die u reeds hebt moeten betalen terug te kunnen betalen (in verband met jaar 2019). U hebt aangegeven dat u zich ook zult inzetten om de teveel ontvangen bedragen inzake het jaar 2018 terug te betalen. U hebt aangegeven dat dit betekent dat u de komende jaren meer zal moeten gaan werken.

U hebt tijdens het hoorgesprek tevens aangegeven dat u inderdaad onjuiste aangiftes voor het jaar 2018 hebt ingediend. U hebt aangegeven dat de hoogte van de vergrijpboete ervoor zorgt dat u in financiële problemen komt. U bent van mening dat de hoogte van de vergrijpboete ten kosten gaat van het kwaliteit van het leven van u en uw gezin. Ook hebt u aangegeven dat u last hebt van stress door de hoogte van deze boete. Verder hebt u aangegeven dat u de aangiftes over de jaren 2020/2021 juist hebt ingediend (verbetering van de compliance). Ook hebt u aangegeven dat u er alles aan wilt doen om in de toekomst de aangiftes juist in te dienen. Ik heb tijdens het hoorgesprek bevestigd dat het aangiftegedrag van u is verbeterd.

Ik ben van mening dat u opzettelijk een onjuiste aangifte hebt gedaan. Op basis van hetgeen u hebt aangegeven in het hoorgesprek vind ik echter een vergrijpboete van € 9.833 niet passend en geboden. Gezien uw financiële omstandigheden, persoonlijke problemen en het feit dat de compliance is verbeterd, vind ik een boete van € 2.000 passend en geboden. Ik zal de vergrijpboete dan ook verminderen naar dit bedrag.

2.10.

Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Blijkens het proces-verbaal heeft belanghebbende onder meer het volgende ter zitting verklaard:

Het is wel mijn verantwoordelijkheid geweest, ik had de gegevens moeten controleren, ook al stond het fout ingevuld of de Belastingdienst moeten bellen. Ik zie geen reden waarom ik niet zou terugbetalen en aan de betalingsverplichting voldoe. Zonder boete van € 2.000 kan ik vier maanden eerder verdergaan met mijn leven (…) De schuld heb ik zelf gemaakt.

(…) Ik heb het niet bewust fout gedaan, indien dat wel het geval is dan heb ik het daarna niet meer gedaan. De eerstvolgende aangifte heb ik laten controleren door een belastingadviseur. Nu bewindvoering om dit te voorkomen.

2.11.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Wat betreft de vergrijpboete van € 2.000 is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende opzettelijk een onjuist verzoek tot voorlopige teruggaaf heeft ingediend, alsmede opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan om zo hoog mogelijke teruggaven te realiseren. Voor het volledig vernietigen van de vergrijpboete ziet de Rechtbank geen aanleiding nu belanghebbende ook ter zitting zijn fouten niet heeft willen erkennen door te volharden in de stelling dat sprake is geweest van identiteitsfraude of onjuist vooringevulde bedragen.

3 Geschil

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing