Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-01-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:329, 22/1094 t/m 22/1096 en 22/1098
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-01-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:329, 22/1094 t/m 22/1096 en 22/1098
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 31 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/1094 t/m 22/1096 en 22/1098
- Relevante informatie
- Art. 8:29 Awb, Art. 8:31 Awb, Art. 8:42 Awb
Inhoudsindicatie
VPB. Tussenuitspraak m.b.t. verzoek tot beperkte kennisneming.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 22/1094, 22/1095, 22/1096 en 22/1098
uitspraakdatum: 21 januari 2025
Tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer (geheimhoudingskamer)
op het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)
in het geding tussen
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 3 mei 2022, nummers LEE 19/4597 tot en met 19/4601, ECLI:NL:RBNNE:2022:1426.
1 Ontstaan en loop van het geding
Voor het ontstaan en de loop van het geding tot dusverre verwijst het Hof naar onderdeel 1 van zijn in deze procedure (door de eerste meervoudige belastingkamer) gedane tussenuitspraak van 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3016. In die tussenuitspraak heeft het Hof onder meer beslist dat de geheimhoudingskamer zich zal gaan buigen over het beroep op geheimhouding door de Inspecteur ter zake van bijlage set C (negen ordners).
Het (tweede) onderzoek ter zitting door de geheimhoudingskamer (de vierde meervoudige belastingkamer) heeft plaatsgevonden op 17 december 2024. Namens belanghebbende is verschenen haar gemachtigde mr. drs. A.G. Haasnoot. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , [naam2] , [naam3] , [naam4] , [naam5] en [naam6] .
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een afschrift daarvan overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer is gehecht.
2 Vaststaande feiten
Voor de vaststaande feiten verwijst de geheimhoudingskamer naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.23 van genoemde tussenuitspraak van 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3016.
Hieraan voegt de geheimhoudingskamer de volgende vaststaande feiten toe. Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep met betrekking tot het geheimhoudingsverzoek heeft plaatsgevonden op 19 juli 2023. Het proces-verbaal van die zitting behelst onder meer het volgende.
‘(…)
De voorzitter stelt vast dat het dossier zeer omvangrijk is. De voorzitter stelt voorts vast dat in het geheimhoudingsdossier een aantal concepten alsmede de definitieve vorm van de uitspraak op bezwaar zitten. Een deel van de stukken zijn reeds ingebracht in de hoofdzaak. De voorzitter wijst op het stuk bijlage set C betreffende een e-mail d.d. 14 maart 2019 10.02 uur afkomstig van [naam2] aan [naam7] te vinden in ordner 24 stuk nummer 57. De vraag is waarom dit stuk geheim dient te blijven. Het gaat om een verzoek om dossierinzage in het kader van een voorgesprek.
De Inspecteur verklaart dat hij kan uitleggen waarom overlap zit in het dossier. Belanghebbende had destijds een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. De voorlopige voorziening procedure vereiste een grote mate van spoed van de zijde van de Inspecteur. Binnen tien werkdagen moesten de stukken van het geding worden ingebracht bij de rechtbank. De Inspecteur verklaart dat de stukken in het kader van de voorlopige voorziening procedure door hem wel zorgvuldig zijn langsgelopen. Het resulteerde in een omvangrijk dossier. Echter vanwege de spoedeisendheid is het dossier via een zogenoemde replay mailbericht naar de rechtbank gezonden. Het kan in de snelheid dan ook gebeuren dat stukken dubbel in het geheimhoudingsdossier zitten. Vanwege de snelheid zijn er mogelijk ook stukken, die niet geheim dienen te blijven, wel in het geheimhoudingsdossier terecht gekomen. Dit laatste heeft in ieder geval te gelden voor het stuk dat de voorzitter thans heeft voorgehouden. Dat stuk zou niet tot bijlage set C moeten behoren, aldus de Inspecteur. Dit stuk behoort zijns inziens tot bijlageset A of B.
Raadsheer Den Ouden stelt vast dat de voorlopige voorziening procedure in 2019 speelde. Inmiddels is er sprake van hoger beroep en zit de zaak in het jaar 2023 waarbij de Inspecteur zich beroept op geheimhouding. De raadsheer houdt de Inspecteur de vraag voor of hij bij het aangaan van de hogerberoepsprocedure alle stukken opnieuw getoetst heeft met de vraag of geheimhouding nog steeds aan de orde is.
In antwoord hierop verklaart de Inspecteur dat hij na de voorlopige voorziening procedure de stukken niet meer heeft getoetst. De Inspecteur heeft zich geconformeerd aan de uitspraak van geheimhoudingskamer van de rechtbank. Hij heeft daarna niet meer alle stukken langsgelopen om te beoordelen of het beroep op geheimhouding al dan niet terecht is. De Inspecteur gaat ervan uit dat wat in de geheimhoudingsdossier zit geheim dient te blijven.
(…)
De voorzitter schorst om 10.57 uur het onderzoek ter zitting voor overleg in raadkamer. De voorzitter heropent het onderzoek ter zitting om 11.41 uur.
De voorzitter stelt vast dat de Inspecteur ter zitting heeft aangegeven dat hij de inhoud van de negen ordners in het kader van de voorlopige voorziening procedure bij de rechtbank Noord-Nederland (zie beslissing ECLI:NL:RBNNE:2019:717) binnen ongeveer tien dagen heeft samengesteld en daarna niet meer – ook niet in het kader van het (hoger) beroep – heeft bekeken en beoordeeld of terecht een beroep op geheimhouding is gedaan. Gelet op de stukken die het Hof ter zitting aan de Inspecteur heeft voorgehouden, vindt het Hof dat de Inspecteur nog eens met een stofkam door de ordners dient te gaan om kritisch te beoordelen welke stukken al dan niet naar de mening van de Inspecteur als geheim dienen te worden aangemerkt.
(…)’
Naar aanleiding van de zitting van 19 juli 2023 heeft de Inspecteur op 15 augustus 2023 een nieuwe ‘geschoonde’ bijlage set C aan het Hof (en aan belanghebbende) verstrekt. Daarin zijn minder documenten ‘geschoond’ dan in de eerder overgelegde bijlage set C. De Inspecteur heeft zijn beroep op geheimhouding op ‘documentniveau’ gemotiveerd door in de bijgevoegde index per document zijn redenen tot geheimhouding te geven. Daarbij heeft hij de volgende korte omschrijvingen gebruikt: ‘privacy van derden’, ‘strategie’, ‘intern beraad’, ‘concept’, ‘intern beraad/concept’, ‘intern beraad/derden’, ‘intern beraad/concept/derden’ en ‘strategisch/intern’. Een nadere toelichting daarop heeft de Inspecteur niet gegeven.
De motivering van het beroep op geheimhouding heeft de Inspecteur eerder vervat in zijn aan de Rechtbank overgelegde brief van 18 maart 2021. Daarin heeft hij, voor zover hier van belang, vermeld:
‘Ik ben van mening dat er gewichtige redenen aanwezig zijn om op grond van artikel 8:29 Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende te verstrekken.
Beide partijen, en daarmee ook de Belastingdienst, hebben bij het voeren van een procedure – en daar ziet art. 8:29 Awb op – het recht om vertrouwelijk te kunnen overleggen over te maken keuzes, in te nemen standpunten, etc. Dat de wetgever het begrip ‘gewichtige redenen’ ook in art. 7:4 Awb heeft opgenomen, maakt dat niet anders.
De op grond van artikel 8:29 Awb niet aan belanghebbende verstrekte correspondentie c.q. informatie bevatten een combinatie van strategiebesprekingen en voortgangsoverwegingen betreffende de zaken, (intern) juridisch beraad – al dan niet met specialisten of coördinatoren binnen de Belastingdienst, standpuntbepaling en discussie, dan wel persoonlijke opmerkingen c.q. commentaar van individuele medewerkers. Overigens ben ik van mening dat het toestaan van kennisneming van onze interne beraadslagingen in strijd is met het beginsel van processuele gelijkheid en daarmee met een goede procesorde.
(…)’
In zijn pleitnota voor de zitting van 19 juli 2023 van de geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur gereageerd op de stellingen van belanghebbende met betrekking tot verschillende stukken en daarnaast over het verzoek om geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb nog het volgende geschreven:
‘Een deel van de stukken in het dossier heb ik aangemerkt als 8:29 AWB stukken. Dit heb ik om verschillende redenen gedaan. Ten eerste zijn er stukken in het dossier terecht gekomen die niet op belanghebbende betrekking hebben maar op derden. Ten tweede zijn er diverse stukken die van strategisch belang zijn en daarom geheimhouding behoeven. Ten derde zijn er stukken die niet voldragen zijn, zoals concept brieven en concept rapporten. Deze stukken betreffen feitelijk intern overleg en zijn stukken ter standpuntbepaling, dergelijke stukken behoeven niet aan belanghebbende te worden overgelegd.
Deze stukken zijn opgenomen in set C van onderhavige procedure.
Tot slot wijs ik u er voor de duidelijkheid nog op dat deze stukken vanwege de hierboven aangegeven redenen ook niet verstrekt behoren te worden aan de rechter in de hoofdzaak.’
De geheimhoudingskamer heeft in haar uitspraak van 29 augustus 2023 beslist dat de Inspecteur het beroep op geheimhouding (negen ordners) opnieuw beoordeelt en heeft daartoe het volgende overwogen:
‘(…)
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de stukken in bedoelde negen ordners tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb behoren, overweegt de geheimhoudingskamer het volgende. De Inspecteur heeft ter zitting van de geheimhoudingskamer desgevraagd aangegeven dat hij de inhoud van de negen ordners in het kader van de voorlopige voorziening procedure (2019; zie 1.2 van deze beslissing) binnen ongeveer tien werkdagen heeft samengesteld en daarna niet meer – ook niet in het kader van het (hoger) beroep – heeft bekeken en beoordeeld of terecht een beroep op geheimhouding is gedaan. Ter zitting van de geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur op vragen van de geheimhoudingskamer aangegeven dat hij voor twee stukken (XXIV 57 en XXIV 76) ten onrechte een beroep op geheimhouding heeft gedaan. Gegeven het voorgaande en dat artikel 8:29 van de Awb met de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden toegepast, heeft de geheimhoudingskamer ter zitting de Inspecteur de opdracht gegeven om de inhoud van de negen ordners (opnieuw) zorgvuldig door te lopen en te beoordelen voor welke stukken het beroep op geheimhouding moet worden gehandhaafd. De geheimhoudingskamer heeft daarbij aangegeven dat de reactie van de Inspecteur vóór 15 september 2023 wordt verwacht.
(…)’
3 Geschil
Na een debat hierover ter zitting van 17 december 2024, heeft de Inspecteur - in afwijking van zijn eerdere standpunt - zijn op de voet van artikel 8:29 van de Awb gedane beroep op geheimhouding met betrekking tot de (resterende) stukken in bijlage set C gewijzigd in een verzoek tot beperkte kennisneming van die stukken. Aldus is in geschil of de Inspecteur zich met betrekking tot de in bijlage set C opgenomen ‘geschoonde’ stukken met vrucht kan beroepen op het bestaan van gewichtige redenen die de ‘beperkte kennisneming’ rechtvaardigen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
Belanghebbende heeft ter zitting van 17 december 2024 desgevraagd verklaard niet op voorhand in te stemmen met kennisname van stukken door de hoofdkamer.