Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7348, 25/618 tm 25/621

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7348, 25/618 tm 25/621

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 november 2025
Datum publicatie
28 november 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7348
Formele relaties
Zaaknummer
25/618 tm 25/621
Relevante informatie
Art. 8:29 Awb, Art. 8:31 Awb, Art. 8:42 Awb

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzoek beperkte kennisneming.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 25/618 tot en met 25/621

uitspraakdatum: 18 november 2025

Tussenuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

in het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Breda (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 november 2020, nummers BRE 17/1364 tot en met 17/1367, ECLI:NL:RBZWB:2020:5908, in het geding tussen

[Belanghebbende1] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende 1), en

[Belanghebbende2] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende 2)

en de Inspecteur,

betreffende een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en een verzoek op de voet van artikel 8:42 Awb om overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbenden zijn voor de jaren 2011 en 2012 de volgende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

€ 509.200

€ 177.072

€ 16.202

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

€ 264.029

€ 175.712

€ 11.221

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

€ 509.200

€ 234.602

€ 16.341

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 6.774

€ 264.029

€ 233.759

€ 11.458

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2017 voornoemde aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 26 november 2020, nummers BRE 17/1364 tot en met 17/1367, ECLI:NL:RBZWB:2020:5908, de beroepen gegrond verklaard en de aanslagen en rentebeschikkingen als volgt – overeenkomstig de aangiften – verminderd:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

nihil

nihil

conform

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

nihil

nihil

conform

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

nihil

€ 57.530

conform

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 6.774

nihil

€ 56.355

conform

Verder heeft de Rechtbank vergoedingen toegekend voor griffierechten, proceskosten en immateriële schade van respectievelijk tweemaal € 46, tweemaal € 1.376 en € 4.000.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: Hof Den Bosch) heeft bij uitspraak van 7 december 2022, nummers 20/00738 tot en met 20/00741, ECLI:NL:GHSHE:2022:4440, het hoger beroep gegrond verklaard en de aanslagen als volgt vastgesteld:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

€ 115.200

€ 177.072

conform

[Belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

€ 264.029

€ 175.712

€ 11.221

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

€ 115.200

€ 234.602

conform

[Belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 5.345

€ 264.029

€ 233.759

conform

Verder heeft Hof Den Bosch de beslissing van de Rechtbank over de toegekende vergoedingen in stand gelaten.

1.5.

Belanghebbenden hebben tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 februari 2025, nummer 23/00153, ECLI:NL:HR:2025:241 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van Hof Den Bosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.6.

De Inspecteur heeft bij brieven van 30 april 2025 gereageerd op het verwijzingsarrest. Daarbij heeft de Inspecteur de zogenoemde oude stukken (zie 2.18 hierna) ingebracht. Met betrekking tot de zogenoemde nieuwe stukken heeft de Inspecteur verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.

1.7.

Belanghebbenden hebben bij brief met dagtekening 6 juni 2025 gereageerd op het verwijzingsarrest. Zij hebben daarin met een beroep op artikel 8:42 Awb gesteld dat bij de oude stukken een op de zaak betrekking hebbend stuk ontbreekt.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Namens belanghebbenden zijn verschenen de advocaten mr. D.G. Barmentlo, mr. drs. A.G. Haasnoot en mr. N. ten Donkelaar. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] , mr. [naam2] en mr. [naam3] . De Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze tussenuitspraak is gevoegd.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 zijn met elkaar gehuwd en beiden woonachtig in Nederland.

2.2.

Belanghebbende 2 heeft op 22 juli 1987 naar het recht van de Nederlandse Antillen de naamloze vennootschap [bedrijf1] N.V. (hierna: de NV) opgericht. Op 30 oktober 1987 is de naam van de NV gewijzigd in [bedrijf2] N.V. De NV had een belang van 49 procent van de aandelen in de eveneens naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte en in Curaçao gevestigde naamloze vennootschap [bedrijf3] N.V. (hierna: N NV), die op haar beurt alle aandelen hield in de naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde besloten vennootschap [bedrijf4] B.V. (hierna: de BV). De overige 51 procent van de aandelen in N NV werd middellijk gehouden door een zakenpartner van belanghebbende 2.

2.3.

Op 31 december 1999 is naar het recht van de Nederlandse Antillen de stichting [bedrijf5] (hierna: de SPF) opgericht. Het bestuur van de SPF werd gevoerd door [bedrijf6] N.V. (hierna: [bedrijf6] ), nadien gewijzigd in [bedrijf7] . In de ‘Articles of Incorporation’ is onder meer het volgende bepaald:

"PURPOSE

Article 2

1. The purpose of the foundation (Hof: de SPF) is to preserve and manage assets [...] for the ultimate benefit of the members of the family who are beneficiaries.

(…)

MANAGEMENT

Article 3

(…)

3. Any vacancies and/or additions to the Board of Directors shall be filled by the beneficiaries.

(…)

FINAL STATEMENT

The first director shall be: [bedrijf6] N.V., established in Curaçao”.

2.4.

In februari 2000 hebben [bedrijf6] als “manager” en belanghebbenden als “Founder” een managementovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

“Liability

Article III

Neither the manager nor any of its directors, officers or employees shall be liable towards the Foundation (Hof: de SPF) for any action lawfully taken or omitted to be taken by it or them thereunder or in connection herewith, except for its own or their own gross negligence or misconduct.

Indemnity

Article IV

The Founder shall safeguard the manager, its directors, officers and employees and keep them harmless from any claim, which -rightly or wrongly- may be made against the manager, its directors, officers or employees arising from or connected with the manager’s performance under this agreement, unless in the event of gross negligence or willful misconduct of the manager, or any of its directors, officers or employees.

The Foundation (Hof: de SPF) will reimburse the management for any costs and expenses, including lawyer’s fees in connection with such a claim.”.

2.5.

Op 26 april 2000 hebben de SPF en [bedrijf8] N.V. een indemnity letter getekend. Namens de SPF hebben getekend: belanghebbende 1 en belanghebbende 2.

2.6.

In april 2000 heeft [bedrijf6] als bestuurder volmacht verleend aan belanghebbende 2 met betrekking tot de bankrekening van de SPF. In die volmacht heeft de bestuurder aan belanghebbende 2 het recht verleend om, zonder enige beperking, in naam van de SPF alle rechten als houder van de bankrekening ten name van de SPF uit te oefenen, tot maximaal het bedrag van de eventueel op die rekening geoorloofde debetstand.

2.7.

Op 2 november 2000 heeft belanghebbende 2 de aandelen in de NV geschonken aan de SPF. De NV is op 20 april 2001 ontbonden. Het vermogen van de SPF omvatte sindsdien het belang van 49 procent van de aandelen in N NV, effecten en bankrekeningen.

2.8.

Op 25 november 2003 heeft de zakenpartner van belanghebbende 2 de bestuurder namens N NV geïnformeerd over een door belanghebbende 2 en hemzelf voorgenomen herstructurering van N NV. Deze herstructurering heeft plaatsgevonden op 11 december 2003. In 2007 zijn de aandelen in de BV verkocht aan een derde.

2.9.

De voormalige adviseur van belanghebbende 2 heeft bij brief van 23 december 2009 de Inspecteur bericht dat belanghebbende 2 gebruik wenst te maken van de inkeerregeling. Belanghebbende 2 heeft de Inspecteur onder meer op de hoogte gesteld van de hiervoor in 2.7 bedoelde schenking en daarbij vermeld dat de waarde van de aandelen in de NV fl. 4.200.000 bedroeg.

2.10.

In juni 2012 hebben belanghebbenden met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten over de toerekening van (het vermogen van) de SPF aan belanghebbenden over de jaren 2001 tot en met 2009, hetgeen heeft geresulteerd in de afspraak dat een bedrag van € 2.300.000 aan enkelvoudige IB/PVV wordt geheven in één navorderingsaanslag IB/PVV 2004 ten name van belanghebbende 2.

2.11.

In de jaren 2011 en 2012 heeft N NV dividenden uitgekeerd aan de SPF van respectievelijk € 230.400 en € 321.600. De SPF heeft in 2011 een verlies geleden van NAf 607.872. Op 31 mei 2012 heeft de SPF haar aandelen in N NV verkocht aan een vennootschap waarvan belanghebbende 2 middellijk enig aandeelhouder en bestuurder is. Uiteindelijk, bij haar hierna in 2.12 bedoelde vereffening, heeft de SPF over het jaar 2012 een winst behaald van NAf 463.855. Het verlies van 2011 is verrekend met die winst.

2.12.

Op 12 juni 2012 is de SPF ontbonden. Belanghebbenden hebben een liquidatie-uitkering ontvangen die bestond uit effecten en liquide middelen.

2.13.

Bij de aanslagregeling IB/PVV 2011 en 2012 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat voor de heffing van inkomstenbelasting het vermogen van de SPF aan belanghebbenden moet worden toegerekend. Hij heeft daarom de door belanghebbenden voor die jaren aangegeven belastbare inkomens gecorrigeerd en de onderhavige aanslagen opgelegd.

2.14.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van zwevend vermogen dat bij geen enkel persoon in de belastingheffing wordt betrokken, dat daarvoor de regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 (afgezonderd particulier vermogen (APV)) in het leven is geroepen, dat zelfs als belanghebbenden de beschikkingsmacht over het vermogen van de SPF zouden hebben behouden dit toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 niet uitsluit, dat de belastingheffing van de SPF op Curaçao kwalificeert als een reële heffing, en dat dit meebrengt dat een toerekening op grond van artikel 2.14a, lid 1 Wet IB 2001 van het vermogen van de SPF aan belanghebbenden achterwege dient te blijven. De Rechtbank heeft daarom de correcties laten vervallen en de aanslagen verminderd overeenkomstig de ingediende aangiften.

2.15.

Hof Den Bosch heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende 2 is blijven beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen, en dat een vermogensafzondering niet aan de orde is en de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 dus evenmin. Hof Den Bosch heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de aanslagen en rentebeschikkingen, overeenkomstig het gelijkluidende standpunt van partijen, vastgesteld zoals hiervoor vermeld in 1.4. Het ter zitting gedane verzoek van belanghebbenden op de voet van artikel 8:42 Awb om overlegging van interne stukken van de Belastingdienst, waaronder een e-mailwisseling tussen de Inspecteur en de ‘Kennisgroep 10a Vpb’, heeft Hof Den Bosch tardief verklaard.

2.16.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest overwogen dat Hof Den Bosch is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting dat indien komt vast te staan dat de belastingplichtige over een bij een derde, zoals een SPF, ondergebracht vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, dat vermogen niet een afgezonderd vermogen is als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001. Niettemin heeft de Hoge Raad de hofuitspraak vernietigd omdat Hof Den Bosch het

ter zitting gedane verzoek om overlegging van interne stukken van de Belastingdienst, niet tardief had mogen verklaren. De Hoge Raad heeft het geding naar het Hof verwezen om, nadat de desbetreffende stukken alsnog in het geding zijn gebracht, opnieuw te beoordelen of belanghebbende 2 over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

2.17.

Wat betreft het verzoek om overlegging van stukken, heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest onderscheid gemaakt tussen zogenoemde oude en nieuwe stukken. De oude stukken betreffen de stukken die de Inspecteur eerder aan de Rechtbank had overgelegd, en die met een – door de geheimhoudingskamer van de Rechtbank gehonoreerd – beroep op artikel 8:29 Awb waren geheimgehouden. De nieuwe stukken hebben betrekking op een verzoek van de Inspecteur aan een kennisgroep dat is gedaan na de uitspraak van de Rechtbank en dat heeft geresulteerd in een overleg en een memo. De in dat memo neergelegde bevindingen heeft de Inspecteur verwerkt in zijn nadere stuk voor Hof Den Bosch. Volgens de Hoge Raad moet daarom worden aangenomen dat de nieuwe stukken van belang konden zijn voor de beslechting van een nog bestaand geschilpunt. Dergelijke stukken behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb die de inspecteur uit eigen beweging aan de rechter over moet leggen, aldus de Hoge Raad.

2.18.

In zijn reactie op het verwijzingsarrest heeft de Inspecteur de oude stukken alsnog ingebracht. Belanghebbende betwijfelt of alle oude stukken zijn ingebracht en beroept zich in zoverre op artikel 8:42 Awb. Verder heeft de Inspecteur opgemerkt dat (i) de nieuwe stukken niet hoeven te worden overgelegd omdat deze niet op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 Awb, nu deze stukken uitsluitend zien op de vraag of aan de voorwaarden van artikel 2.14a, lid 7, Wet IB 2001 is voldaan en die kwestie bij Hof Den Bosch niet aan de orde is geweest, en dat (ii) voor zover wel sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken, wordt verzocht om beperkte kennisneming daarvan als bedoeld in artikel 8:29 Awb. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn stelling (i) inzake artikel 8:42 Awb ingetrokken, zodat niet langer in geschil is dat de Inspecteur de zogenoemde nieuwe stukken in het geding moet brengen omdat deze op de zaak betrekking hebben.

3 Geschil

3.1.

Na verwijzing is voor deze tussenbeslissing in geschil of (i) de Inspecteur wel alle oude stukken heeft ingebracht, en of (ii) beperkte kennisneming van de nieuwe stukken gerechtvaardigd is.

3.2.

Belanghebbenden beantwoorden beide vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4 Op de zaak betrekking hebbende stukken (oude stukken)

5 Verzoek tot beperkte kennisneming (nieuwe stukken)

6 Beslissing