Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7593, 24/1082

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7593, 24/1082

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 november 2025
Datum publicatie
5 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7593
Zaaknummer
24/1082
Relevante informatie
Art. 3:40 Awb, Art. 4:19 Awb, Art. 6:20 Awb

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Ontvankelijkheid beroep. Bekendmaking uitspraak op bezwaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/1082

uitspraakdatum: 25 november 2025

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 17 april 2024, nummer AWB 23/5856, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op 22 november 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft op 21 december 2022 tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 februari 2023 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft deze ingebrekestelling dezelfde dag ontvangen.

1.4.

Op 8 maart 2023 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is geen verslag opgemaakt.

1.5.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 28 maart 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat geen dwangsom wordt toegekend, omdat binnen twee weken na 22 februari 2023 is beslist op het bezwaar.

1.6.

Bij brief van 24 april 2023 heeft belanghebbende beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.C. van den Aarsen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar, [naam1] . De gemachtigde van belanghebbende heeft op zijn verzoek digitaal, via Teams, deelgenomen aan de zitting. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Zowel het bezwaarschrift van 21 december 2022 als de ingebrekestelling van 22 februari 2023 zijn opgemaakt op briefpapier van de gemachtigde van belanghebbende. Onderaan dit briefpapier staan onder andere een e-mailadres, een telefoonnummer en “ [postbusadres] ”. Dit postadres wordt onderaan de pagina op elke volgende bladzijde herhaald. Een ander adres waarnaar (fysieke) post zou kunnen worden verzonden, wordt nergens vermeld.

2.2.

In een uittreksel van de Kamer van Koophandel dat ziet op de gemachtigde van belanghebbende staat als bezoekadres vermeld: “ [bezoekadres] ”. Het uittreksel vermeldt geen postadres. Het uittreksel vermeldt verder: “De onderneming/ organisatie wil niet dat haar adresgegevens worden gebruikt voor ongevraagde postreclame en verkoop aan de deur.”

2.3.

De uitspraak op bezwaar van 28 maart 2023 is door de heffingsambtenaar aangeboden aan “ SBPost ”, welke dienstverlener hem op haar beurt ter verzending heeft aangeboden aan PostNL. Bij de verzending van dit poststuk met daarin de uitspraak op bezwaar (hierna: het poststuk) is het bezoekadres zoals vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel gebruikt.

2.4.

Een e-mail van [naam2] van SBPost vermeldt:

“De brief is nadat hij bij ons verwerkt is naar PostNL gegaan voor de bezorging.

(…)

Wat we wel weten is dus dat hij wel verstuurd en verwerkt is bij ons.”

2.5.

De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij het poststuk eerst heeft ontvangen met de op de zaak betrekking hebbende stukken die hij van de Rechtbank heeft ontvangen.

2.6.

De Rechtbank heeft met betrekking tot de ontvangst van het poststuk het volgende overwogen:

“De uitspraak op bezwaar is weliswaar gericht aan het kantooradres van de gemachtigde, maar is niet bij de heffingsambtenaar onbezorgd retour gekomen, zodat de rechtbank het aannemelijk acht dat de uitspraak op bezwaar ook op dat adres is bezorgd en de gemachtigde heeft bereikt.”

De Rechtbank heeft vervolgens, verwijzend naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:924), het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet mogelijk is beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan.

3 Geschil

In geschil is of de Rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder te beslissen omtrent de in de uitspraak op bezwaar opgenomen dwangsombeschikking. Tussen partijen is niet in geschil dat in de uitspraak op bezwaar het bezwaar terecht ongegrond is verklaard.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing