Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, 24/379

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, 24/379

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
2 december 2025
Datum publicatie
16 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7776
Zaaknummer
24/379
Relevante informatie
Art. 229 Gemw, Art. 3.1 WRO

Inhoudsindicatie

Leges. Aanvraag bestemmingsplanwijziging.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 24/379

uitspraakdatum: 2 december 2025

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 januari 2024, nummer LEE 22/2778, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 22 november 2021 een aanslag in de leges opgelegd ten bedrage van € 2.100.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 januari 2024 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] .

1.6

De belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende drijft een adviesbureau op het terrein van locatieontwikkeling en ruimtelijke ordening.

2.2

[bedrijf1] B.V. (hierna: [bedrijf1] ) is een cliënt van belanghebbende en is eigenares van een onroerende zaak, plaatselijk bekend [adres1] 1 te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak is in gebruik geweest als tuincentrum.

2.3

[bedrijf1] heeft het college van B&W van de gemeente Heerenveen (hierna: het college) gevraagd een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van de onroerende zaak als supermarkt. Het college heeft die vergunning op 12 juni 2020 geweigerd. Het door [bedrijf1] tegen deze weigering gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.

2.4

[bedrijf1] heeft tegen de hiervoor – onder 2.3 – bedoelde uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de algemene bestuursrechter van de Rechtbank. Bij uitspraak van 21 april 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:1293) heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. In r.o. 8.2 van de uitspraak overweegt de Rechtbank:

"De rechtbank komt tot de conclusie dat de weigering op grond van het gevoerde detailhandelsbeleid niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Er zijn geen gronden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat het detailhandelsbeleid kennelijk onredelijk is of dat verweerder gehouden was om af te wijken van dit beleid. De weigering van de omgevingsvergunning kan daarom in stand blijven.”.

2.5

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het daarna ingestelde hoger beroep door [bedrijf1] op 27 maart 2024 ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd (ECLI:NL:RVS:2024:1269). In r.o. 4. overweegt de Afdeling onder meer:

“4. De Afdeling stelt voorop dat, zoals eerder overwogen in de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:616, het bestemmingsplan bepalend is voor de vraag of bepaald gebruik van gronden of bouwwerken is toegestaan. Indien het gewenste gebruik van gronden en of bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan, toetst het college vervolgens bij een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning of toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Bij die toetsing wordt onder meer bezien of de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Indien de aanvrager van een omgevingsvergunning van mening is dat het niet toestaan van de door hem aangevraagde activiteit in strijd is met een hogere regeling, zoals de Dienstenrichtlijn, kan hij dat ook in die procedure aanvoeren. Voor de wijze van toetsing geldt dat dan exceptief wordt getoetst of de toepasselijke planregel in strijd is met de Dienstenrichtlijn. De reden daarvoor is dat in een procedure over de omgevingsvergunning dit vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplan het uitgangspunt is, en de strijd met dit bestemmingsplan de reden is waarom het gewenste gebruik niet kan plaatsvinden. Er is geen plaats voor een volle toets of de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het vestigen van een supermarkt op de locatie [adres1] 1 in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze toets gaat op in de toetsing van de toepasselijke planregel, in dit geval artikel 4.1, onder a, van de regels van het plan " [planregel] ". Het gaat dan om de vraag of deze planregel evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. In het kader van de beoordeling van dit geschil geldt dat ook voor de toets van de Detailhandelsvisie aan de Dienstenrichtlijn.

4.1.

De vraag of artikel 4.1, onder a, van de planregels wegens strijd met de Dienstenrichtlijn onverbindend moet worden geacht of buiten toepassing moet worden gelaten, gaat vooraf aan de beoordeling of het college heeft kunnen weigeren om afwijking van die planregel toe te staan. Om die reden beoordeelt de Afdeling eerst of deze planregel in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:616, hanteert de Afdeling hierbij het evidentiecriterium. Dit criterium houdt in dit geval in dat een planregel alleen evident in strijd is met hoger recht, als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval als iedere motivering ontbreekt. Indien beargumenteerd strijd met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn wordt aangevoerd en een motivering dat aan de in dat artikellid genoemde vereisten is voldaan ontbreekt, kan desondanks geen evidente strijd met de Dienstenrichtlijn worden aangenomen indien het college (alsnog) een onderbouwing geeft dat aan de vereisten van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De onderbouwingsplicht van het college in het licht van het evidentiecriterium gaat niet zo ver dat het de beperking dient te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens.”.

2.6

Op 3 augustus 2021 heeft belanghebbende namens [bedrijf1] aan de gemeenteraad van Heerenveen (hierna: de raad) verzocht om het bestemmingsplan, [planregel] te herzien door (ten minste) de beperkingen in de planregels voor detailhandel in artikel 4.1 sub a op te heffen met een beroep op de Europese Dienstenrichtlijn. In haar verzoek schrijft belanghebbende onder meer het volgende:

Sinds enkele jaren staat het winkelcentrum aan [adres1] 1, [plaats1] grotendeels leeg. Dit winkelcentrum is sinds een tweetal jaren eigendom van [bedrijf1] b.v. en in het winkelcentrum is nog een kleine vestiging van ‘ [bedrijf2] ’ gevestigd. [bedrijf1] b.v. is sinds de aankoop bezig met een procedure voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Zij beoogt om haar winkelcentrum onder andere te kunnen gebruiken c.q. verhuren ten behoeve van detailhandel in levensmiddelen. De vergunning komt nog niet van de grond omdat het beoogde gebruik in strijd is met de planregels in het bestemmingsplan en het college naar eigen zeggen geen beleidsinstrumenten heeft om mee te kunnen werken aan de vergunning. (…) De toepasselijkheid van de Europese Dienstenrichtlijn is pas sinds januari 2018 bevestigd door het Europese Hof in Luxemburg in de zaak [bedrijf3] – Appingedam. Op dit moment voldoet noch het beleid van de gemeente Heerenveen noch het bestemmingsplan aan de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt. De gemeente zal de handen uit de mouwen moeten steken.” en “Er wordt beoogd het winkelcentrum te gebruiken en of te verhuren ten behoeve van perifere detailhandel zoals is omschreven in paragraaf 4.1.3 van de gemeentelijke detailhandelsvisie 2011 waaronder ook expliciet supermarkten worden verstaan.”.

2.7

De raad heeft dit verzoek in behandeling genomen. Het verzoek is 3 november 2021 geweigerd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de algemene bestuursrechter van de Rechtbank.

2.8

De heffingsambtenaar heeft op grond van artikel 2.8.1.1,hoofdstuk 8 ‘Bestemmingswijzigingen’ van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021, , belanghebbende € 2.100 aan leges opgelegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de bestreden aanslag.

3.3

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing