Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7992, 23/2211 t/m 23/2270

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7992, 23/2211 t/m 23/2270

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
9 december 2025
Datum publicatie
22 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7992
Formele relaties
Zaaknummer
23/2211 t/m 23/2270
Relevante informatie
Art. 16 WOZ

Inhoudsindicatie

Energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie. Levering elektriciteit aan laadpalen. Laadpalen vormen geen samenstel per gemeente en kunnen niet als één aansluiting worden aangemerkt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 23/2211 tot en met 23/2270

uitspraakdatum: 9 december 2025

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] N.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 11 mei 2023, nummers ARN 21/2786 tot en met 21/2794, ARN 21/2796 tot en met 21/2798, ARN 21/2800 tot en met 21/2811, ARN 21/2813 tot en met 21/2822, ARN 21/2824 tot en met 21/2829, ARN 21/2831, ARN 21/2833 tot en met 21/2846 en ARN 21/2848 tot en met 21/2852, ECLI:NL:RBGEL:2023:2690, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft over de tijdvakken januari 2015 tot en met december 2019 aangiften energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) gedaan en de volgens die aangiften verschuldigde bedragen afgedragen.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de afdrachten over de tijdvakken januari 2015 tot en met november 2019 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de afdracht over het tijdvak december 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep in de zaak over de afdracht over het tijdvak december 2019 gegrond verklaard, de betreffende uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar over dat tijdvak ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend. De Rechtbank heeft de overige beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Daarbij zijn verschenen mr. drs. R. van Scharrenburg, mr. K. Dubbeld en mr. R. van den Berg, als gemachtigden van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , drs. [naam2] , [naam3] , [naam4] en [naam5] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam6] , mr. [naam7] , [naam8] , [naam9] en mr. [naam10] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, [bedrijf1] N.V. en [bedrijf2] N.V. (thans: [bedrijf2] ) hebben in de periode 2012 tot en met 2016 overeenkomsten gesloten met diverse (samenwerkende) gemeenten. Op basis van de overeenkomsten mag belanghebbende voor een bepaalde periode laadpalen in die gemeenten plaatsen en exploiteren. Voor zover de gemeenten in dezelfde regio zijn gelegen, vormen zij één concessiegebied. De drie concessiegebieden zijn [concessiegebied1] , [concessiegebied2] en [concessiegebied3] .

2.2.

De laadpalen zijn door natrekking eigendom geworden van de gemeenten waarin zij zijn geplaatst. De laadpalen staan aan de openbare weg en staan verspreid, en niet geclusterd, door de verschillende gemeenten. De laadpalen zijn allemaal individueel verbonden met het energienetwerk, dat eigendom is van een derde partij. Iedere laadpaal beschikt over een eigen leveringspunt voor elektriciteit. Voor de onderhavige jaren 2015 tot en met 2019 is voor geen van de laadpalen een (waarde)beschikking voor de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) afgegeven.

2.3.

[bedrijf2] is als exploitant de gebruiker van de laadpalen in de zin van artikel 16 Wet WOZ. [bedrijf2] koopt als verbruiker in de zin van de EB bij belanghebbende elektriciteit in voor de levering daarvan aan eindgebruikers. Via de laadpalen wordt (door eindgebruikers) elektriciteit afgenomen voor het opladen van een auto.

2.4.

Belanghebbende factureert maandelijks per concessiegebied aan [bedrijf2] voor het elektriciteitsverbruik in die maand via de laadpalen in dat concessiegebied. [bedrijf2] rekent af met de eindgebruikers.

2.5.

De verbinding tussen een laadpaal en de backoffice van [bedrijf2] vindt plaats door middel van een etherverbinding. In iedere laadpaal zit een simkaart. Via deze simkaart stuurt de laadpaal elke periode (via het netwerk van een telecombedrijf) een signaal naar de backoffice van [bedrijf2] met informatie over het laadobject.

2.6.

Belanghebbende heeft over de levering van elektriciteit aan de laadpalen per leveringspunt (laadpaal) apart EB en ODE berekend, aangegeven en afgedragen.

2.7.

Belanghebbende heeft om teruggaven van EB en ODE verzocht omdat naar haar inzicht de laadpalen (leveringspunten) per concessiegebied of per gemeente als één aansluiting moeten worden aangemerkt en zij, wegens het degressieve tarief, in dat geval een lager bedrag aan EB en ODE is verschuldigd.

Indien de leveringspunten per concessiegebied kwalificeren als één aansluitpunt, bedragen volgens belanghebbende de teruggaven als volgt:

Jaar

EB (in €)

ODE (in €)

Totaal (in €)

2015

155.697

3.395

159.092

2016

244.636

10.324

254.960

2017

141.654

141.654

2018

245.957

245.957

2019

411.928

411.928

Totaal

1.199.872

13.719

1.213.591

Indien de leveringspunten per gemeente kwalificeren als één aansluitpunt, bedragen volgens belanghebbende de teruggaven als volgt:

Jaar

EB (in €)

ODE (in €)

Totaal (in €)

2015

137.492

2.543

140.035

2016

208.281

6.963

215.244

2017

108.122

108.122

2018

195.061

195.061

2019

362.344

362.344

Totaal

1.011.300

9.506

1.020.806

2.8.

De Rechtbank heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. De Rechtbank heeft in dat verband geoordeeld dat op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) en de Wet WOZ de laadpalen binnen een concessiegebied niet als één aansluiting kunnen worden aangemerkt, dat ook het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 20191 niet noopt tot clustering van laadpalen, dat het evenredigheids- en gelijksbeginsel niet zijn geschonden, en dat de laadpalen evenmin kwalificeren als een samenstel in de zin van artikel 16, letter d, Wet WOZ (complexbenadering).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de afdrachten EB en ODE over de tijdvakken januari 2015 tot en met december 2019 tot de juiste bedragen hebben plaatsgevonden. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een aansluiting per laadpaal, per gemeente of per concessiegebied. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

-

i) horen de laadpalen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar, als bedoeld in artikel 16, letter d, Wet WOZ;

-

ii) moet clustering van de laadpalen plaatsvinden op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; en

-

iii) moet clustering plaatsvinden per concessiegebied of per gemeente.

3.2.

Belanghebbende is primair van mening dat de laadpalen per concessiegebied als één aansluiting moeten worden aangemerkt. Subsidiair is zij van mening dat de laadpalen per gemeente als één aansluiting moeten worden aangemerkt.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de laadpalen geen samenstel vormen, zodat voor de heffing van EB en ODE elke laadpaal een eigen aansluiting heeft, en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarin geen verandering brengen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Energiebelasting

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing