Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8436, 24/1055 t/m 24/1059
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8436, 24/1055 t/m 24/1059
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 27 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/1055 t/m 24/1059
- Relevante informatie
- Art. 10 Wet LB
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Ontvangen uitkeringen. Loon?
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1055 tot en met 24/1059
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 19 maart 2024, nummers AWB 23/264, 23/266, 23/268, 23/269 en 23/270, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2012 tot en met 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is voor het jaar 2016 een verzuimboete opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren voor de jaren 2012 en 2014 en de verzuimboete ongegrond verklaard, de aanslagen voor de jaren 2013, 2015 en 2016 verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende en de Inspecteur hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. S.M. Havinga, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door prof. mr. [naam1] , mr. [naam2] en dr. [naam3] , alsmede mr. [naam4] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is geboren [in] 1947 en woont [sinds] 2002 in België.
Belanghebbende heeft een belang van 100% in de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf1] B.V. (hierna: [bedrijf1] ). [bedrijf1] heeft jegens belanghebbende de verplichting om uitkeringen te verstrekken uit hoofde van een pensioenregeling en een loonstamrechtverplichting.
In 1988 heeft belanghebbende in verband met zijn uitdiensttreding bij de [bank] N.V. een ontslagvergoeding ontvangen. Deze vergoeding is als loonstamrecht ondergebracht in [bedrijf1] .
Van 1 oktober 1997 tot 1 augustus 2001 was belanghebbende in loondienst bij het [het pensioenfonds] (hierna: het Pensioenfonds). In het kader van dit dienstverband heeft hij pensioenaanspraken opgebouwd die waren ondergebracht bij Achmea. Deze opbouw vond plaats op basis van het levensjarenbeginsel met een opbouw van 2% per jaar.
In verband met het ontslag van belanghebbende bij het Pensioenfonds in 2001 had belanghebbende recht op een in de arbeidsovereenkomst geregelde ontslagvergoeding. In de arbeidsovereenkomst was geregeld dat als de arbeidsovereenkomst van belanghebbende vóór 1 oktober 2002 zou eindigen dat hij een eenmalige uitkering van ƒ 2.000.000 bruto zou ontvangen. De ontslagvergoeding is door het Pensioenfonds rechtstreeks overgemaakt aan [bedrijf1] . [bedrijf1] heeft het ontvangen bedrag toegevoegd aan de reeds in haar ondergebrachte loonstamrechtverplichting. [bedrijf1] heeft vanaf het begin de in 2001 ontvangen ontslagvergoeding verwerkt als een bezitting waar een stamrechtverplichting van dezelfde omvang tegenover staat.
In stukken van belanghebbende is opgenomen dat de verklaring van de toenmalige controller van het Pensioenfonds, [naam6] , als volgt luidt:
‘Het is inderdaad al heel wat jaren geleden dat dit speelde, ik meen al een jaar of 20. Ik heb daarom alles niet meer zo scherp op m’n netvlies als bij jouw vertrek maar mijn herinnering is dat door de bestuurders van [het pensioenfonds] samen met hun advocaat overeenstemming is bereikt over jouw vertrek en de condities waaronder dit zou plaatsvinden. Ik herinner mij dat jij in je arbeidsovereenkomst een clausule had staan en dat het daar opgenomen bedrag verhoogd is met een compensatie voor gemiste pensioenopbouw.
Exacte details kan ik mij niet herinneren.
Nadat overeenstemming was bereikt ben ik gevraagd dit bedrag over te maken op de wijze zoals overeengekomen.
Ik kan mij geen enkel gesprek of document herinneren waarbij gesproken werd over een stamrecht. In mijn herinnering heeft de controlerend accountant van [het pensioenfonds] , [accountant] , hier nooit een bemerking over gemaakt tijdens de jaarwerkcontrole. Gegeven de omvang van het bedrag van de vertrekregeling is hier zeker naar gekeken.
Zoals jij al meldde kan ik ook geen dossier meer terugvinden o.a. door de vernietiging en opschoning van de archieven van [het pensioenfonds] i.v.m. de overname van [naam uitvoeringsorganisatie] (die dus zoveel jaren later wel is doorgegaan). Alle niet strikt noodzakelijke archieven waarvoor de bewaartermijn was verstreken zin vernietigd. Daarbij waren zeker ook dossiers van oud medewerkers en oud directieleden.’
In de stukken van belanghebbende is verder de volgende verklaring van zijn voormalig adviseur, mr. [naam7] , weergegeven:
‘Ik heb niets kunnen terugvinden in de oude dossiers, het is inmiddels bijna 20 jaar geleden. Dit betreft 2000/2001 en destijds was ik in dienstbetrekking en werkte ik niet vanuit mijn eigen praktijk. Ik heb derhalve niet alles beschikbaar, naast de omstandigheid het dossier inmiddels niet meer compleet zijn in verband met aflopende administratieplicht. De administratie en jaarrekening werd destijds waarschijnlijk extern verzorgd door een administratiekantoor, ik meen [administratiekantoor] te [vestigingsplaats] . Hier werkte het kantoor waar ik werkzaam was mee samen.
Voorheen werd de boekhouding door een andere accountant verzorgd.
Wat ik nog weet is dat er destijds een relatief kleine stamrechtverplichting aanwezig was uit het verleden en dat er gelden gestort zijn ter belegging en deze gelden zijn bijgeboekt bij het kapitaal wat verschuldigd was aan de heer [naam8] en waarover rente verschuldigd was (de kapitaal c.q. stamrechtvoorziening). In de verwerking voor de Vennootschapsbelasting is aangesloten bij de jaarrekening van het administratiekantoor welke naar nu blijkt niet correct is. De boekhouder heeft het stamrecht bedrag verhoogd en nogmaals, conform verwerking in de jaarrekening door het administratiekantoor zijn de aangiften ingediend. In de jaren daarna zijn in lijn met de voorafgaande jaren de aangiften verzorgd en is nooit nagedacht over dat deze post anders benoemd diende te worden. Pas toen uitkeringen aan de orde kwamen is op grond van mededelingen van de heer [naam8] ook mij pas duidelijk geworden dat naar zijn zeggen destijds een netto bedrag gestort is.’
In 2002 is belanghebbende verhuisd van Nederland naar België. Belanghebbende heeft de feitelijke leiding van [bedrijf1] in 2001 overgedragen aan de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf2] B.V. Bij deze emigratie is ten aanzien van de bij [bedrijf1] en Achmea ondergebrachte aanspraken een conserverende aanslag opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2009 is de conserverende aanslag vernietigd.
Bij brief van 5 januari 2012 schrijft de Ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende:
‘Naar aanleiding van uw brief van 29 december 2011 deel ik u het volgende mee.
De door u meegezonden verminderingsbeschikking is, naar nu blijkt, nimmer verwerkt in de betalingsadministratie zodat het bedrag op de aanslag nog openstond.
Ik heb de aanslag inmiddels afgeboekt door middel van kwijtschelding. Materieel is het effect voor uw cliënt hetzelfde, de aanslag is geheel vervallen.’
In de onderhavige jaren heeft belanghebbende van Achmea en van [bedrijf1] uitkeringen ontvangen.
3 Geschil
In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de uitkeringen van [bedrijf1] en van Achmea behoren tot het loon.
Belanghebbende stelt dat uitkeringen van [bedrijf1] voor zover zij zijn terug te voeren op de ontslaguitkering uit 2001 niet tot het loon behoren, omdat, anders dan de Inspecteur stelt, deze niet voortvloeien uit een stamrecht dat is bedongen met toepassing van de (toenmalige) stamrechtvrijstelling.
Belanghebbende stelt dat de uitkeringen van Achmea niet tot het loon behoren, omdat de pensioenregeling waarop zij zijn gebaseerd onzuiver was, zodat de omkeerregel niet van toepassing is. De uitkeringen zijn ook niet belast op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), omdat de aanspraak bij de conserverende aanslag tot het loon is gerekend. Subsidiair is artikel 10, vierde lid, van de Wet LB niet van toepassing omdat dat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Inspecteur stelt dat de uitkeringen van [bedrijf1] en van Achmea tot het loon behoren.