Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8460, 24/2034
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8460, 24/2034
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 2 december 2025
- Datum publicatie
- 30 december 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2024:4366, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 24/2034
- Relevante informatie
- Art. 2 WA, Art. 51 WA, Art. 55 WA, Art. 91 WA
Inhoudsindicatie
Accijns en voorraadheffing. Voorhanden hebben gasolie waarover geen accijns is geheven.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/2034
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 24oktober 2024, nummer LEE 24/1890, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Douane Noord (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 een naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd van € 4.237. Gelijktijdig is een beschikking belastingrente opgelegd van € 335.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. W. de Jong als gemachtigde van belanghebbende en [naam1] als toehoorder, alsmede mr. [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam3] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is een huurovereenkomst aangegaan met de besloten vennootschap [bedrijf1] (hierna: de BV) voor de huur van het ruim van het [naam5] (hierna: het schip) vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst. Volgens de verhuurovereenkomst wordt het schip verhuurd voor opslag. De datum van de ondertekening van de door de Inspecteur overgelegde huurovereenkomst ziet er als volgt uit:

Op 30 april 2021 heeft een politiecontrole plaatsgevonden op het schip. Het schip lag op dat moment in het [kanaal1] te [plaats1] . Bij de controle is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De hennepkwekerij was opgezet in vier grote zeecontainers die zich in het ruim van het schip bevonden. In het ruim van het schip bevonden zich ook acht intermediate bulk containers (IBC’s). Deze IBC’s waren middels tyleenbuizen aan elkaar gekoppeld. In het ruim bevond zich tevens een vloeistofpomp waarmee gasolie vanuit de bunkertank(s) van het schip werd overgepompt naar de IBC’s. De gasolie uit de IBC’s werd gebruikt voor het aandrijven van een generator die de hennepkwekerij van stroom voorzag.
Medewerkers van de Douane hebben op 1 mei 2021 een controle uitgevoerd en monsters genomen van de inhoud van een deel van de IBC’s. In het laboratorium van de Douane is aan de hand van de monsters vastgesteld dat de inhoud van de IBC’s minerale oliën betrof waaraan herkenningsmiddelen zijn toegevoegd, dan wel bestanddelen daarvan bevatten (hierna: minerale oliën of gasolie).
Belanghebbende is op 6 december 2021 door medewerkers van de Douane verhoord. Het proces-verbaal van dat verhoor luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Vraag = verbalisant
Antwoord = verdachte
Vraag: Wat kunt u mij vertellen over het schip De [naam5] ?
Antwoord: Ik verklaar niets. Ik beroep me op het zwijgrecht.
Vraag: Ik toon u een huurovereenkomst van het schip tussen u en [bedrijf1] wat kunt u daarover vertellen?
Antwoord: Zwijgrecht.
Vraag: Is deze handtekening op de overeenkomst van u?
Antwoord: Geef ik geen antwoord op. Zwijgrecht.
Vraag: Kent u de heer [naam4] die op de overeenkomst staat?
Antwoord: Zwijgrecht. U kunt blijven vragen maar ik ga niet antwoorden op welke vraag dan ook.
Vraag: Wilt u zelf iets vertellen?
Antwoord: Nee.”
De heer [naam4] (hierna: [naam4] ), aandeelhouder van de BV, is op 17 januari 2022 door medewerkers van de Douane verhoord. Het proces-verbaal van dat verhoor luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Vraag = verbalisant
Antwoord = verdachte
(…)
U vertelde ons 14 mei 2021 toen wij bij u thuis langskwamen, dat u het binnenvaartschip [naam5] had verhuurd aan Dhr. [belanghebbende] .
Vraag: Kunt u ons vertellen waarvoor Dhr. [belanghebbende] het schip [naam5] zou gaan gebruiken?
Antwoord: Nou [belanghebbende] zou alleen het ruim huren. Huren voor opslag van meubels om deze te restaureren en om ze hier op te slaan.
Op 1 mei 2021 zijn wij ter plaatse gekomen bij het binnenvaartschip [naam5] , de politie had een hennepkwekerij aangetroffen in het ruim van het schip. De kwekerij zou draaien op generatoren met rode gasolie als brandstof. Op het schip treffen wij 2 generatoren en een aantal IBC tanks met een rode vloeistof erin, na onderzoek bij het douanelaboratorium bleek het om gasolie te gaan met herkenningsmiddelen.
Vraag: Weet u wie de eigenaar is van de generatoren en de IBC tanks die wij aan boord van het schip [naam5] hebben aangetroffen?
Antwoord: Ik ben de eigenaar van de generatoren maar van de ibc tanks weet ik niks van af.
(…)
Uit de verklaring die u heeft gegeven aan de politie hebben wij gelezen dat u met dhr. [belanghebbende] had afgesproken dat hij gebruik mocht maken van de brandstof uit de bunkers van het schip [naam5] .
Vraag: Wat heeft u hierover met dhr. [belanghebbende] afgesproken?
Antwoord: Meneer [belanghebbende] mocht gebruik maken van de gasolie alleen niet in deze hoeveelheden hij mocht een kannetje bijschenken vanuit de machinekamer wanneer dit nodig was.
In de verklaring van de politie hebben wij ook gelezen dat dhr. [belanghebbende] de generatoren op uw schip mocht gebruiken.
Vraag: Wat kunt u hierover vertellen?
Antwoord: Ja dat klopt. Dhr. [belanghebbende] had één generator gebruikt hij mocht dus ook één gebruiken en geen twee wel mocht hij ze soms afwisselen.
Vraag: Mocht dhr. [belanghebbende] het schip [naam5] ook gebruiken om er zelf mee te varen?
Antwoord: Nee.
Vraag: Heeft u zelf nog iets toe te voegen of verklaren aan dit verhoor?
Antwoord: Hij heeft van mij brandstof gestolen niet mis meer +/- 2m kuub dat is serieus wat [belanghebbende] gedaan heeft. Het liefste wil ik hier aangifte van doen, maar ik wil geen problemen met [belanghebbende] voor de veiligheid van mijn gezin. Ik vind dat mij onrechte is aangedaan.
Ik ben me van geen kwaad bewust jullie zullen een punt hebben, maar ik ben mij van kwaad bewust. Het zijn mijn generatoren de gasolie is niet van het schip af geweest dat noem in niet handelen. Handelen noem ik dat je de gasolie verkoopt en buiten het schip brengt.”
3 Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij is meer specifiek in geschil of belanghebbende de gasolie voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 51, lid 1, aanhef en onder e, van de Wet op de accijns (hierna: WA).
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij niets te maken heeft gehad met de hennepkwekerij op het schip en niets van de IBC’s die op het schip aanwezig waren en van de inhoud van de IBC’s afwist. Belanghebbende voert aan dat hij de huurovereenkomst van het schip wel heeft getekend maar dat het daarbij is gebleven. Voor het tekenen van de huurovereenkomst zou hij € 500 per maand krijgen. Belanghebbende zegt wel geholpen te hebben bij het laden van de containers in het ruim van het schip, maar stelt dat hij geen bemoeienis heeft gehad met wat er verder na het plaatsen van de containers aan boord van het schip is gebeurd. De hennepkwekerij is volgens belanghebbende door [naam4] en zijn partner opgezet. Ook wijst belanghebbende erop dat hij strafrechtelijk is vrijgesproken voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit de huurovereenkomst die belanghebbende heeft gesloten met de BV en uit de verklaringen van [naam4] blijkt dat belanghebbende de gasolie wel voorhanden heeft gehad. Omdat over deze gasolie geen accijns is geheven, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, aldus de Inspecteur.