Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1012, 24/1274

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1012, 24/1274

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17 februari 2026
Datum publicatie
4 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1012
Formele relaties
Zaaknummer
24/1274
Relevante informatie
Art. 16 AWR, Art. 2.17 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navordering. Nieuw feit?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/1274

uitspraakdatum: 17 februari 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 7 juni 2024, nummer ARN 23/4433, ECLI:NL:RBGEL:2024:3520, in het geding tussen

[belanghebbende] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), met dagtekening 8 oktober 2022, opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.853 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 30.576, resulterend in een verschuldigd bedrag van € 7.644 (25% van € 30.576). Verder is € 949 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2023 de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Aan belanghebbende is met dagtekening 1 juli 2023 een tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.853 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.865, resulterend in een verschuldigd bedrag van € 3.822 (25% van € 45.865 minus € 30.576). Verder is € 593 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze tweede navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking.

1.4.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur van 15 juni 2023 in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de belastingrentebeschikking vernietigd, en vergoedingen toegekend voor proceskosten en griffierecht van respectievelijk € 1.185 en € 50.

1.5.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam1] en mr. J.J.J. Streefland van [bedrijfsnaam] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. drs. [naam2] , mr. [naam3] en mr. [naam4] . De zaken met de nummers BK-ARN 24/1274 en BK-ARN 24/1275 zijn gezamenlijk behandeld. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Overwegingen

Verkapte wintuitdeling

2.1.

De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven op de gronden die zijn vermeld in de uitspraak die het Hof vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer BK-ARN 24/1275. In die uitspraak is overwogen dat [naamBV] (hierna: de BV) – de vennootschap waarvan belanghebbende de enig aandeelhouder en bestuurder is – in het onderhavige jaar een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende heeft gedaan van € 45.865, doordat de BV zich bewust een rentebate heeft laten ontgaan en belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld die rentebate te genieten. Dit brengt mee dat de Inspecteur in de onderhavige navorderingsaanslag terecht een voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen.

Navorderingsbevoegdheid; ambtelijk verzuim

2.2.

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, is het Hof gehouden belanghebbendes – door de Rechtbank niet behandelde – beroep op het ontbreken van een nieuw feit, alsnog te behandelen.1

2.3.

Ingevolge artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft de inspecteur de bevoegdheid een navorderingsaanslag op te leggen indien hij beschikt over een (nieuw) feit dat hem bij het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was en hem ook redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn.

2.4.

De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd met een correctie ter zake van een winstuitdeling. Redengevend voor deze correctie is de BV ter zake van een aan belanghebbende verstrekte geldlening van € 1.000.000 een onzakelijk lage rente heeft bedongen waardoor sprake is van een verkapte winstuitdeling. Met deze omstandigheid is de Inspecteur pas bekend geworden nadat hij op 9 september 2021 de beschikking heeft gekregen over de overeenkomst van geldlening tussen de BV en belanghebbende, en op 8 februari 2022 over de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de derde partij.

2.5.

Het vorenstaande betekent dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2018 op 8 oktober 2020 niet ermee bekend was dat de BV zich een winst heeft laten ontgaan. Naar het oordeel van het Hof vormt de inhoud van beide overeenkomsten van geldlening dan ook een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

2.6.

Anders dan belanghebbende in zijn beroepschrift betoogt, was de Inspecteur niet gehouden tot een nader onderzoek naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2018. De Inspecteur mag bij het vaststellen van een (primitieve) aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.2 Naar het oordeel van het Hof behoefde de Inspecteur in redelijkheid niet aan de juistheid van deze aangifte IB/PVV 2018 te twijfelen. De daarin verstrekte gegevens omtrent de forse schuldtoename van belanghebbende aan de BV, waren immers juist. De Inspecteur was tot dat moment niet bekend met de overeenkomsten van geldlening. De Inspecteur was bij het vaststellen van de primitieve aanslag IB/PVV 2018 daarom niet gehouden om nader onderzoek te doen. Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is dan ook geen sprake.

Tweede navorderingsaanslag

2.7.

De Inspecteur heeft met dagtekening 1 juli 2023 een tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd (zie 1.3). Deze navorderingsaanslag is opgelegd nadat belanghebbende en zijn fiscale partner op de voet van artikel 2.17 Wet IB 2001 hadden aangegeven dat het voordeel uit aanmerkelijk belang volledig bij belanghebbende in aanmerking moest worden genomen.

2.8.

Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze tweede navorderingsaanslag, zodat deze belastingaanslag geen onderwerp van het onderhavige geschil is. De Inspecteur heeft bij de Rechtbank toegezegd deze tweede navorderingsaanslag te vernietigen indien onderhavige procedure daartoe aanleiding geeft. Nu met onderhavige uitspraak de eerste navorderingsaanslag in stand blijft, is er voor de Inspecteur geen aanleiding om zijn toezegging gestand te doen.

Slotsom Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

3 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

4 Beslissing