Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1206, 24/52 t/m 24/54
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1206, 24/52 t/m 24/54
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 24 februari 2026
- Datum publicatie
- 4 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2023:4616, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/52 t/m 24/54
- Relevante informatie
- VWEU, Art. 3.126 Wet IB 2001, Art. 3.124 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/52 tot en met 24/54
uitspraakdatum: 24 februari 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2023, nummers LEE 23/643, 23/644 en 23/2132, ECLI:NL:RBNNE:2023:4616, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2019. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord H. Menger, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woont sinds 31 juli 2007 in Nederland. In ieder geval vanaf 2010 werkt belanghebbende voor een bedrijf in Nederland.
Per 1 januari 2013 heeft belanghebbende de [verzekering] (hierna: de verzekering) afgesloten bij de in Duitsland gevestigde [verzekeringsmaatschappij] (hierna: [verzekeringsmaatschappij] ). Voor de verzekering heeft belanghebbende in de onderhavige jaren bedragen aan premie betaald van respectievelijk € 1.533 (2017), € 1.583 (2018) en € 1.634 (2019).
[verzekeringsmaatschappij] is niet aangewezen als toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 de volgende bedragen afgetrokken als betaalde premies voor inkomensvoorzieningen: € 1.533 voor 2017 en € 1.634 voor zowel 2018 als 2019. Deze aftrek ziet op de premies die zijn betaald in verband met de verzekering.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2019 afgeweken van de aangifte en heeft de – onder 2.4. – genoemde aftrek voor 2019 niet geaccepteerd. Over de jaren 2017 en 2018 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning voor beide jaren is gecorrigeerd met het bedrag van de in aftrek gebrachte premie.
3 Geschil
In geschil is of de door belanghebbende betaalde premies voor de verzekering – met een beroep op het vrije verkeer van werknemers dan wel het vrije verkeer van diensten – op de voet van artikel 3.124 van de Wet IB 2001 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek kunnen worden gebracht.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, zij het dat hij desgevraagd ter zitting van het Hof heeft verklaard (nog slechts) een aftrek van 57% van de betaalde premies te bepleiten. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen.
De Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.