Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1521, 24/2024 en 24/2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1521, 24/2024 en 24/2025
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 17 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2024:7645, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/2024 en 24/2025
- Relevante informatie
- Art. 15 lid 1 onderdeel b WBRV, Art. 15 lid 1 onderdeel q WBRV, Art. 8 EVRM, Art. 14 EVRM, Art. 1 EP EVRM, Art. 26 IVBPR, Art. 120 GW, Wet Vpb 1969, Art. 15 WBRV, WBRV, Iw 1990, Art. 15 WBR, Wop 2001, Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Parijs, 20-03-1952 [Tekst geldig vanaf 01-11-1998]
Inhoudsindicatie
Overdrachtsbelasting. Vrijstelling bedrijfsoverdracht in de familiesfeer.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/2024 en 24/2025
uitspraakdatum: 10 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 november 2024, nummers AWB 23/5107 en 24/2056, in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp - Schiphol (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft op aangifte € 28.700 aan overdrachtsbelasting voldaan.
Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
De Inspecteur heeft met dagtekening 13 juni 2022 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van € 5.740 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd, waarbij aan belastingrente een bedrag van € 495 in rekening is gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte deels gegrond verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft de door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De Inspecteur heeft op 29 januari 2026 een nader stuk ingediend.
Belanghebbende heeft op de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn moeder [naam1] en mr. W.J.M. Overtoom, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mr. [naam2] , mr. [naam3] en mr. [naam4] .
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is de neef van [naam5] (hierna: de oom). [naam1] is de moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) en de zus van de oom.
De grootvader van belanghebbende (hierna: de grootvader) heeft in 1983 een melkveebedrijf overgedragen aan de oom.
Belanghebbende en de oom exploiteren sinds 1 januari 1995 het melkveebedrijf in de vorm van een maatschap, genaamd Maatschap [naam5] & [belanghebbende] (hierna: de maatschap). De jaarwinstverdeling tussen de maten is 50% - 50%. De stakingswinstverdeling is 70% (belanghebbende) en 30% (de oom).
In de maatschap is economisch ingebracht dan wel voor rekening van de maatschap zijn verkregen de volgende onroerende zaken:
- Kadastraal bekend [gemeente1] sectie H nummer:
o 118 (16.200 m2)
o 164 (49.330 m2)
o 173 (187.885 m2)
o 345 (57.035 m2)
o 347 (21.245 m2)
o 354 (155 m2)
o 355 (17.090 m2)
o 370 (1.416 m2)
o 154 (1.710 m2)
o 172 (54.945 m2)
o 343 (45.530 m2)
o 349 (26.605 m2)
- Kadastraal bekend [gemeente2] sectie N nummer:
o 334 (36.760 m2)
De onroerende zaken, kadastraal bekend [gemeente1] sectie H 154, 172, 343 en 349 en kadastraal bekend [gemeente2] sectie N 334, zijn juridisch volledig eigendom van belanghebbende. Belanghebbende en de oom hebben ieder de onverdeelde helft van de juridische eigendom van de overige onroerende zaken.
In het waarderingsrapport van [makelaar] van 7 april 2020 zijn de cultuurgrond, de woningen met ondergrond en de opstallen met ondergrond van de bedrijfsgebouwen per 31 december 2019 gewaardeerd op in totaal € 5.260.000. De waarde van de woningen met ondergrond bedraagt € 260.000, de waarde van de opstallen met ondergrond bedraagt € 870.000 en de waarde van de cultuurgrond bedraagt € 3.160.000.
In het supplement op de akte van maatschap van 4 december 2019 (hierna: het supplement) is met ingang van 1 januari 2019 de jaarwinstverdeling gewijzigd van 50% - 50% naar 40% voor de oom en 60% voor belanghebbende. De stakingswinstverdeling is gewijzigd naar 80% voor belanghebbende en 20% voor de oom.
Bij akte van levering/verdeling ter beëindiging maatschap van 14 september 2020 heeft belanghebbende de overige 40% van de economische eigendom en de overige 50% van de juridische eigendom van de onroerende zaken verkregen. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende aangifte overdrachtsbelasting gedaan. Op 22 september 2020 heeft belanghebbende een bedrag van € 28.700 betaald ter voldoening van de overdrachtsbelasting, welk bedrag als volgt is berekend. Over de helft van de waarde van de woningen van € 260.000 is 2% overdrachtsbelasting betaald (€ 2.600) en over de helft van de waarde van de opstallen van € 870.000 is 6% overdrachtsbelasting betaald (€ 26.100). Er is bij de aangifte wat betreft de cultuurgrond een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR). Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.
Op 19 april 2022 is naar aanleiding van het supplement een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting aangekondigd ter zake van de verkrijging door belanghebbende van de economische eigendom van 10%. Belanghebbende heeft per e-mail op 6 mei en 13 mei 2022 gereageerd. De Inspecteur heeft per e-mail van 16 mei 2022 daarop gereageerd.
Met dagtekening 13 juni 2022 is de naheffingsaanslag opgelegd. De overdrachtsbelasting is als volgt berekend. De waarde van de woningen bedraagt € 260.000. Daarvan is 10% verkregen, waarover 2% overdrachtsbelasting is verschuldigd (€ 520). De waarde van de opstallen bedraagt € 870.000. Daarvan is 10% verkregen, waarover 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd (€ 5.220).
Bij uitspraken op bezwaar van 26 mei 2023 heeft de Inspecteur het bedrag dat op aangifte is voldaan verminderd met € 5.740 tot een bedrag van € 22.960 en de naheffingsaanslag in stand gelaten.
Op het beroep heeft de Rechtbank geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat er (in)direct is verkregen van de grootvader feitelijke grondslag mist, dat er sprake is van een bewuste keuze van de wetgever om de kring van verkrijgers te beperken tot verkrijgers in rechte lijn of in de zijlijn, dat er geen sprake is van strijd met het verbod op discriminatie van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verbinding met het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) en dat niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst.
3 Geschil
In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, van toepassing is. Zo ja, dan is tussen partijen niet in geschil dat de voldoening op aangifte moet worden verminderd tot een bedrag van € 2.600 en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Zo nee, dan zijn tussen partijen de bedragen van de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag niet in geschil.
Niet in geschil is dat belanghebbende in verband met de verkrijging van de cultuurgronden een beroep kan doen op artikel 15, lid 1, letter q, van de WBR.
Belanghebbende stelt dat het melkveebedrijf al generaties lang in de familie is. De grootvader had tot de bedrijfsoverdracht aan de oom in 1983 de feitelijke leiding, en heeft ook na deze bedrijfsoverdracht de feitelijke leiding behouden. De afnemende gezondheid van de grootvader zorgde ervoor dat de moeder steeds meer de feitelijke leiding op haar nam. Relevant daarbij is dat de moeder vanaf haar trouwen in 1973 met [naam6] in de boerderij heeft ingewoond. In 1976 zijn zij samen met belanghebbende gaan wonen in een woning die zij naast de boerderij hebben laten bouwen. Nadat de grootvader vanaf 1991 niet meer thuis kon wonen, heeft de moeder de feitelijke leiding overgenomen. Vanaf 1995 is belanghebbende de feitelijk leidinggevende in het melkveebedrijf. De oom heeft nimmer een leidinggevende positie in het bedrijf gehad, aldus belanghebbende. Het is vanuit de familie altijd de bedoeling geweest dat belanghebbende het melkveebedrijf zou gaan overnemen. Belanghebbende betoogt primair dat hij gelet op de ratio van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, als kwalificerende persoon dient te worden aangemerkt. Volgens hem is de ratio van het artikelonderdeel het voorkomen van versnippering bij de overgang op kinderen. Ten tijde van de overdracht van de grootvader aan de oom viel de overdracht aan kleinkinderen nog niet onder de vrijstelling. Gekozen is daarom om het melkveebedrijf ‘tijdelijk te parkeren’ bij de oom. De feitelijke leiding is toen overgegaan van de grootvader naar de moeder en vanaf 1995 naar belanghebbende. Volgens belanghebbende kan dan ook worden gesteld dat uiteindelijk een overdracht heeft plaatsgevonden in rechte lijn en dat het bedrijf door grootvader (in)direct aan belanghebbende is overgedragen, waardoor belanghebbende aanspraak kan maken op de vrijstelling. Als in dit geval de vrijstelling wel zou worden toegepast, zal hiermee door de bijzondere situatie niet ‘de deur open worden gezet’.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de beperking van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, in strijd is met het verbod op discriminatie, neergelegd in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het EP. Bovendien is het artikelonderdeel een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM. Belanghebbende stelt in dit kader dat de Hoge Raad in het arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9678, als enige argument tegen de toepassing van het gelijkheidsbeginsel het bestaan van de legitieme portie in goederen heeft gebruikt. Aangezien deze per 1 januari 2003 is afgeschaft, dient het gelijkheidsbeginsel wel te worden toegepast, aldus belanghebbende. Met betrekking tot het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1254, heeft belanghebbende gesteld dat dit arrest ziet op een geheel andere situatie.
Meer subsidiair heeft belanghebbende een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, waarbij wordt verwezen naar uitspraken van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (24 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190 en ECLI:NL:CBB:2024:191). Volgens hem is een beroep op het evenredigheidsbeginsel ook mogelijk bij gebonden besluiten als het nodig is om de onnodig harde gevolgen van een wettelijk voorschrift te voorkomen. In dit geval is sprake van een bijzondere omstandigheid, die niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever omdat er sprake is van een meer dan 200 jaar bestaand familiebedrijf dat in rechte lijn wordt voortgezet, dat steeds in rechte lijn is bestuurd en dat het risico op versnippering wordt voorkomen, aldus belanghebbende.
Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het melkveebedrijf in feite nooit is overgedragen aan de oom. De oom is volgens de Inspecteur sinds 1983 ondernemer voor de inkomstenbelasting wegens de exploitatie van het melkveebedrijf en dient voor de toepassing van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, als ondernemer te worden beschouwd. De Inspecteur betoogt dat de wetgever ervoor heeft gekozen ter voorkoming van versnippering van het bedrijfsvermogen overdrachten binnen de naaste familie te faciliteren. De wetgever heeft in dit verband allereerst de (klein)kinderen en familie in de neerdalende lijn als gekwalificeerd verkrijger voor de vrijstelling aangemerkt. De Inspecteur wijst er op dat de wetgever er niet voor heeft gekozen om de kring van verkrijgers die aanspraak kunnen maken op de vrijstelling te vergroten. Van discriminatie is volgens hem geen sprake. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen om een bepaalde groep naaste familie aan te wijzen als kwalificerend verkrijger. Hiermee wordt voor een zeer groot deel van de beoogde doelgroep het beoogde gerechtvaardigde doel bereikt. Hiervan kan volgens hem niet gezegd worden dat de veronderstellingen van de wetgever zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zijn. De beperking van de kring van verkrijgers voor de vrijstelling berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat deze evident van iedere redelijke grond is ontbloot, althans dat er niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden, aldus de Inspecteur. Naar de mening van de Inspecteur is het arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9678, niet achterhaald, waarbij nog wordt verwezen naar het arrest van 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1254. Bovendien kan volgens de Inspecteur een legitieme portie in geld gevolgen hebben voor het ondernemingsvermogen. De latere uitbreiding van de vrijstelling met een broer, zus en hun echtgenoten is een logische stap wanneer wordt aangesloten bij de vererving in de familiesfeer, aldus de Inspecteur. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel stelt de Inspecteur dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet (ten volle) is verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de voldoening op aangifte tot een bedrag van € 2.600 en vernietiging van de naheffingsaanslag.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.