Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1654, 24/1041
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1654, 24/1041
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Datum publicatie
- 27 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:1654
- Zaaknummer
- 24/1041
- Relevante informatie
- Art. 30i AWR, Art. 162 BW Boek 6, Art. 978 BW Boek 7, Art. 8:73 Awb, BPB, Art. 3.133 Wet IB 2001, Art. 3.137 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Lijfrenteverzekering
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1041
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 15 maart 2024, nummer ARN 23/1359, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente en revisierente berekend.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
Op 24 februari 2026 heeft het Hof per post een nader stuk van belanghebbende ontvangen, dat aan het digitale dossier is toegevoegd. Het Hof heeft in dit stuk geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende heeft in het verleden bij [verzekeraar] (hierna: de verzekeraar) een lijfrenteverzekering (hierna: de lijfrente) afgesloten, waarvan hij de verzekeringnemer en begunstigde is. Belanghebbende heeft de premies voor de lijfrente als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek gebracht. Voor het jaar 2018 waren nog geen lijfrentetermijnen vervallen.
De Inspecteur heeft van de verzekeraar een renseignement ontvangen, waarin staat dat belanghebbende de lijfrente in 2018 heeft afgekocht.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2019 uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2018 te doen.
Eveneens met datum 28 februari 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende een brief gestuurd over “afgekochte lijfrente in uw aangifte inkomstenbelasting 2018”. In deze brief staat onder meer:
“(...) Volgens mijn gegevens hebt u in 2018 een lijfrenteproduct afgekocht. In de aangifte staan hier enkele vragen over. Ik merk dat niet iedereen weet hoe ze die vragen moeten invullen. Met deze brief wil ik u daarbij graag helpen.
Inkomstenbelasting en revisierente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u inkomstenbelasting over de afkoopsom, en in de meeste gevallen ook revisierente. (...)”
Op 8 juli 2019 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV 2018 ingediend, naar een verzamelinkomen van € 122.656. In de aangifte heeft belanghebbende geen afkoop van een lijfrente opgenomen.
Bij brief van 13 juni 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende bericht:
“Volgens onze gegevens hebt u in 2018 uw lijfrente afgekocht. U hebt deze afkoop waarschijnlijk niet helemaal goed in uw aangifte Inkomstenbelasting 2018 ingevuld. Wij vragen u daarom uw aangifte te controleren en eventueel aan te passen. Doe dit vóór 1 augustus 2020.
Belasting bij afkoop lijfrente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u inkomstenbelasting over de afkoopsom. Soms houdt een bank of verzekeraar ook loonheffing in, dit kunt u ook zien in de jaaropgaaf van uw bank of verzekeraar. Als dat zo is, verrekenen wij dit met uw inkomstenbelasting. U betaalt dus nooit dubbel belasting.
Revisierente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u in de meeste gevallen ook revisierente. Dit is een wettelijk voorgeschreven rentevergoeding die u betaalt over de afkoopsom.
Hoe verwerkt u uw afgekochte lijfrente in uw aangifte inkomstenbelasting?
(...)
Denkt u dat u de afkoop lijfrente wel goed hebt ingevuld?
Dan hoeft u uw aangifte niet aan te passen. Wij nemen contact met u op om dit verder te bespreken.
(...)”
Bij brief van 12 augustus 2020 heeft mr. [naam3] , de belastingadviseur van belanghebbende, de Inspecteur als volgt bericht:
“In aanvulling op ons schrijven van 29 juli jl. (...) inzake een afkoop van een lijfrente in 2018, en ter onderbouwing van hetgeen in deze brief door ons is vermeld zenden wij u hierbij een bevestiging van [de verzekeraar] waaruit blijkt dat de uitkering als gevolg van de afkoop van de lijfrentepolis met nummer [polisnummer] niet door [belanghebbende] is genoten.”
De genoemde brief van 29 juli 2020 maakt geen onderdeel uit van het dossier. De in de brief van 12 augustus 2020 genoemde bevestiging van de verzekeraar is een e-mailbericht met datum 4 augustus 2020 van de verzekeraar aan belanghebbende. Daarin staat onder meer:
“Naar aanleiding van uw verzoek delen wij u het volgende mee.
U heeft op 15-03-2018 bij ons verzoek ingediend om uw levensverzekering onder polisnummer [polisnummer] af te kopen en over te maken naar uw ex-partner (...).
Zowel u als uw ex-partner hebben hiervoor getekend. Wij hebben conform uw verzoek de uitkering overgemaakt per 15-03-2018 naar de rekeningnummer (...) t.n.v. [de ex-partner] onder vermelding afkoop [polisnummer] .
Overzicht van de betaling.
Bruto 14.901,67
LH 7.748,87
Netto 7.152,80 ”
In de bijlage(n) treft u de documenten.”
De adviseur van belanghebbende heeft bij zijn brief van 12 augustus 2020 aan de Inspecteur de volgende bijlagen van de verzekeraar verstrekt:
- -
-
een document “verzoek om uitbetaling” aan de ex-partner van belanghebbende met datum 22 maart 2018, met daarop een handtekening die bij de verzekeraar bekend staat als de handtekening van belanghebbende.
- -
-
een brief van de verzekeraar van 18 april 2018, gericht aan belanghebbende, verstuurd naar het adres [adres1] te [woonplaats] , over de fiscale gevolgen van de afkoop:
“Geachte [belanghebbende],
U hebt ons gevraagd de levensverzekering af te kopen.
De afkoopwaarde van uw verzekering is: € 14.901,67
De afkoopwaarde hebben wij berekend per :15 maart 2018
In de bijlage bij deze brief vindt u de kosten die bij afkoop in rekening gebracht worden.
Wat zijn de fiscale gevolgen voor u?
Wij zijn verplicht 52% loonbelasting in te houden over de afkoopwaarde en af te dragen aan de Belastingdienst. U geeft de afkoopwaarde op als inkomen in box 1 bij uw aangifte inkomstenbelasting. Daarnaast bent u een boeterente (maximaal 20% van de afkoopwaarde) aan de Belastingdienst verschuldigd.
Het is mogelijk dat in de afkoopwaarde een onbelast saldo aanwezig is. Bijvoorbeeld omdat u premies niet hebt afgetrokken. De hoogte van dit onbelast saldo bepaalt u samen met de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt bij uw aangifte vast of u nog een bedrag ontvangt of moet betalen.
Wij maken de afkoopwaarde verminderd met de inhoudingen over op het rekeningnummer dat u (eerder) hebt opgegeven.
De hoogte van de inhoudingen vindt u terug op uw dagafschrift.
Uw verzekering is hierdoor vervallen. Herstel van de verzekering is niet meer mogelijk.”
Bij brief van 14 augustus 2020 heeft de belastingadviseur de Inspecteur als volgt bericht:
“(...) In 2018 is een polis bij [de verzekeraar] met polisnummer [polisnummer] afgekocht die in het verleden op naam van [belanghebbende] heeft gestaan. Uit informatie die wij hebben ontvangen van de [verzekeraar] blijkt echter dat de uitkering in 2018 niet heeft plaatsgevonden op naam van [belanghebbende], maar op naam van zijn ex-partner. Wij verwijzen naar een als bijlage bij deze brief opgenomen bevestiging hiervan door [de verzekeraar].
De uitkering is, zo bevestigt deze email, niet door [belanghebbende] genoten.
Gezien bovenstaande is door ons de uitkering van [de verzekeraar] niet in aanmerking genomen in de aangifte inkomstenbelasting 2018 en is deze aangifte ook niet aangepast naar aanleiding van uw schrijven van 13 juni jl.”
Bij brief van 3 mei 2021 heeft de Inspecteur de belastingadviseur gevraagd om informatie te sturen om te kunnen beoordelen bij wie de afkoop belast is:
“(...)
Terugbetaalde premies inkomensvoorzieningen of aangepaste lijfrente
In 2018 is een polis lijfrenteverzekering van [de verzekeraar] afgekocht. Dit bedrag is niet aangegeven. In een brief van 14 augustus 2020 meldt u waarom.
Om te kunnen beoordelen bij wie deze afkoop belast is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
Een kopie van de volledige echtscheidingsconvenant.
Is de begunstiging van de polis bij de echtscheiding gewijzigd? Zo ja, graag de stukken waaruit dit blijkt.”
De belastingadviseur in zijn brief van 25 mei 2021 aan de Inspecteur als volgt geantwoord op het schrijven 3 mei 2021:
“Wij kunnen geen. stukken overleggen waaruit blijkt dat de begunstigde van de polis bij de echtscheiding is gewijzigd. Dat dit feitelijk wel heeft plaatsgevonden blijkt reeds uit ons schrijven van 12 augustus welke wij als bijlage hebben bijgevoegd.
Indien u het standpunt inneemt dat u moet afwijken van de ingediende aangifte, dan verzoeken wij u om contact op te nemen met [belanghebbende] op telefoonnummer (...). Hij zou graag de kwestie persoonlijk toelichten.”
Bij brief van 6 september 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht over zijn voornemen om van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 14.901, om € 2.980 (20%) revisierente te berekenen en om rekening te houden met een bedrag van € 7.749 aan ingehouden loonheffing.
Bij brief van 24 september 2021 heeft de adviseur van belanghebbende de Inspecteur geïnformeerd dat belanghebbende het niet eens is met het voornemen van de Inspecteur. Hij heeft onder meer geschreven:
“Het betreft de afkoop van een lijfrente in 2018 waarvan wij in onze eerdere correspondentie hebben aangetoond dat onze cliënt weliswaar formeel de begunstigde is van deze uitkering, echter dat deze uitkering feitelijk niet door hem is genoten. De lijfrente-uitkering is door de verzekeringsmaatschappij rechtstreeks aan zijn ex-echtgenote betaald conform door hen onderling gemaakte afspraken in het kader van de echtscheiding.
Wij stellen u de vraag of het bedoeling van de Nederlandse wetgever is om revisierente over de afkoop van een lijfrentepolis te innen bij een belastingplichtige die feitelijk de uitkering van de lijfrente niet heeft genoten. Wij vragen u daarom om de feiten nog eens te beoordelen en hierbij niet alleen de formaliteiten in acht te nemen, maar een eventuele heffing van de revisierente te beoordelen op basis van redelijkheid en billijkheid.”
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft de Inspecteur de adviseur van belanghebbende geïnformeerd dat zijn voornemen niet is veranderd:
“(...) U hebt mij geïnformeerd over de afkoop van de lijfrenteverzekering van [de verzekeraar]. Het nettobedrag is overmaakt op rekening van de ex-partner. Dit was afgesproken is het echtscheidingsconvenant.
Uw cliënt heeft op zijn verzoek de lijfrenteverzekering afgekocht. De uitkering is gedaan aan [belanghebbende] als begunstigde, maar op zijn verzoek gestort op het rekeningnummer van zijn ex-partner. Het lijkt er op dat bij de afspraken in het echtscheidingsconvenant de verschuldigde revisierente over het hoofd is gezien. Wellicht heeft uw cliënt nu een vordering op zijn ex-partner ter grootte van het bedrag van de revisierente. Ik heb dan ook besloten de afwijking van de aangifte van uw cliënt op dit punt te handhaven. (...)”
Met dagtekening 21 oktober 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende opgelegd, rekening houdend met de afkoop van de lijfrente. Daarbij heeft de Inspecteur € 258 belastingrente en € 2.980 revisierente in rekening gebracht. De aanslag resulteert in een te betalen bedrag van € 3.230.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende herhaald dat de lijfrente niet naar hem is overgemaakt en dat hij deze uitkering dus feitelijk niet heeft genoten en heeft hij aangegeven dat conform de afspraken bij de echtscheiding de lijfrente aan de ex-echtgenote zou worden uitgekeerd, hetgeen ook heeft plaatsgevonden. Belanghebbende stelt primair dat de afkoop niet bij hem is belast en vraagt subsidiair om op grond van redelijkheid en billijkheid geen revisierente te berekenen.
In een e-mail van 3 oktober 2022 heeft belanghebbende aan de Inspecteur geschreven:
“Zoals eerder gesteld door mijn adviseurs, maak ik nogmaals en wederom bezwaar tegen uw voorgenomen besluit. Ik ben van mening en ik verwijs naar alle bewijsstukken in uw dossier en de eerder verzonden correspondentie dat de aanslag niet aan mij toebehoort, ik ben niet de begunstigde van de uitgekeerde premie. Tijdens mijn scheiding heeft onze gezamenlijke financieel deskundige ondersteund in de financiële afhandeling van o.a. ons huis en de goederen. [naam4] van [bedrijfsnaam] in [vestigingsplaats] . Hij heeft ons ondersteund en geadviseerd en vervolgens zaken georganiseerd Zaken waarvan wij geen kennis hebben en afhankelijk zijn van hem als een derde en als financieel /verzekering deskundige.
Ik heb met het advies van deze deskundige ingestemd inzake de afhandeling, het uitgekeerde premie bedrag is in het geheel tegemoet gekomen aan mijn ex-vrouw, (...). Ik heb zoals aangegeven en aangedragen niet genoten van het geld/de vrijgekomen premie, maar dien in uw optiek nu wel belasting premie over dit bedrag te betalen wat ik niet eerlijk en billijk vind.
Daarnaast hebben wij destijds een gelijke verdeling gemaakt, die door deze betaling ook uit verhouding gaat, de 50/50 verdeling zoals overeengekomen met mijn ex vrouw is dan niet meer gelijk verdeeld, zoals ingestoken was bij de scheiding en is uitgesproken door de rechtbank.
U stelt in uw beoordeling een aantal zaken voor, waar ik niet aan zou voldoen naar richtlijnen vanuit de belastingdienst?. Wat ik onbegrijpelijk vindt en waar ik geen kennis van heb. Wat ik wel weet is dat, en nogmaals ik ben een gewone eerlijke burger, dat de uitgekeerde lijfrente is uitgekeerd aan een mijn ex vrouw (...).
Dan kan het niet naar mijn leken mening & verstand, en nogmaals, niet zo zijn dat ik daarvoor aangeslagen word! De verzekeraar heeft u dat bevestigd per schrijven. Meer overtuigend bewijs kan er niet zijn, het bewijs is dan ook overtuigend overdragen en bewezen naar mijn mening.
Ik wil dan ook vragen om de redelijkheid en billijkheid toe te rassen in uw afweging en besluit (verzoek 2) ,u en ik weten allebei, waarom zaken zo gelopen en verlopen zijn, daar ben ik steeds eerlijk over geweest. U weet wie de begunstigde is en de ontvanger is van het premie bedrag, ik ben van mening dat u daar de belasting toeslag dient neer te leggen.
Ik vraag u een menselijke afweging te maken in deze kwestie. Zoals ook in de kindertoeslag affaire, het leven van burgers /mensen is niet zwart en wit, de belastingdienst heeft de verantwoordelijkheid zaken af te wegen en de wet toe te passen, maar daarbij niet het menselijke aspect uit het oog te verliezen (het grijze gebied). Ik betaal mijn hele leven netjes alle andere belasting zaken, ik ben altijd eerlijk, netjes en handel naar de wet en heb u in deze kwestie overtuigend en eerlijk bewijs overlegd.
Ik vraag u, de belasting dienst mijn bezwaar toe te kennen en de aanslag te laten vervallen.”
Op 5 oktober 2022 heeft de Inspecteur in een e-mail aan belanghebbende geschreven:
“(...) Ten aanzien van uw tweede verzoek om redelijkheid en billijkheid toe te passen, blijf ik bij mijn standpunt dat ik hiervoor geen ruimte zie. (...) Bij het opleggen van revisierente is het niet van belang om wie de uiteindelijke genieter is of waar het afgekochte bedrag voor wordt gebruikt. Als dit wel zo was geweest dan zou dit overigens wel als uitzondering zijn vermeld. Verder geeft u aan dat u geen deskundige bent op dit gebied en dus ook hulp hebt gehad van adviseurs. Tijdens de afwikkeling van uw scheiding bent u uitgegaan van de expertise van uw adviseurs en dus akkoord gegaan met hun financiële advies ten aanzien van het huis, boedel en goederen. Ik weet uiteraard niet wat er is besproken tussen u en uw adviseurs inzake de financiële afwikkeling van uw echtscheiding. De Belastingdienst is hierin ook geen partij en dus ook niet verantwoordelijk voor datgene wat u al dan niet is geadviseerd.
Tot slot ben ik als inspecteur binnen een uitvoeringsorganisatie gebonden om zaken te toetsen binnen de kaders van de wet en daarbij oog te hebben voor de menselijke maat. In uw geval is er getoetst binnen de wet (artikel 30i lid 2 Algemene wet inzake Rijksbelastingen) en gebleken dat u revisierente verschuldigd bent. Uw beroep om bij de afhandeling van uw zaak de menselijke maat af te wegen vanuit het oogpunt van de Toeslagen affaire en dat u altijd eerlijk uw belasting aangeeft en betaald, is voor mij geen reden om af te wijken van de wet. De menselijke maat is bedoeld dat ieder burger in gelijke gevallen dezelfde behandeling mag verwachten, wat in uw geval ook is gebeurd.”
Medio oktober 2022 heeft belanghebbende zijn financieel adviseur gevraagd om bij de verzekeraar te laten onderzoeken dat er iets niet is gelopen zoals het had moeten lopen. Daarop is de verzekeraar een fraude-onderzoek gestart. Belanghebbende heeft de Inspecteur gevraagd om de uitkomst van dit onderzoek af te wachten.
Op 26 oktober 2022 heeft de Inspecteur in een e-mailbericht aan belanghebbende geschreven:
“Bedankt voor uw reactie. Ik ben echter niet van plan om uw verzoek om het onderzoek van [de verzekeraar] af te wachten en wel om de volgende reden.
Mocht er uit het onderzoek blijken dat er gefraudeerd is, dan kunt u de geleden schade niet corrigeren via de Belastingdienst. De Belastingdienst is daarbij namelijk geen partij. U zult dan een civiele procedure moeten opstarten waarbij u de geleden schade bij de fraudeur verhaald.
Daarnaast ben ik van mening dat u de afgekochte lijfrente in 2018 al had ontvangen. U had toen al kunnen weten dat er iets niet in de haak was. Echter, u hebt de afkoop van de lijfrente destijds niet in twijfel getrokken. U bent pas in actie gekomen nadat u revisierente verschuldigd was over de afkoop.
Verder bleek uit ons telefoongesprek ook dat u naar mijn inziens wel degelijk wetenschap had van de afgekochte lijfrente. U had namelijk aangegeven dat de lijfrente afgekocht zou worden, maar dat uw deel aan uw ex-partner zou overmaken. Zoals ik tijdens ons telefoongesprek heb aangegeven wijzigen de fiscale voorwaarden bij afkoop van een lijfrente niet wanneer u afspreekt om het bedrag aan afgekochte lijfrente over te maken aan uw ex-partner. Het maakt namelijk voor de Belastingdienst niet uit wat u met het bedrag achteraf doet. In een eerdere e-mail hebt u een screenshot gemaakt van een brief van [de verzekeraar] en daaruit blijkt dat [de verzekeraar] een soortgelijke conclusie trekt. Afspraken die u bij de echtscheiding maakt hebben geen invloed op de polis en de wijze waarop zij het verwerken in de administratie.”
Bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
[naam5] van de verzekeraar heeft op 20 maart 2023 een e-mailbericht aan belanghebbende gestuurd:
“(...)
Eindconclusie onderzoek
Onze eindconclusie is dat [de verzekeraar] is misleid en dat de beëindiging van polis [polisnummer] in 2018 onterecht is. De waarde die tot dat moment was opgebouwd in de polis is uitgekeerd onder valse voorwendselen. U heeft voldoende aangetoond dat u de handtekening onder het uitbetalingsformulier van maart 2018 niet heeft gezet. Uw ex-partner ontkent de handtekening te hebben gezet. Voor haar is het natuurlijk zeer lastig dit te onderbouwen. We hebben daarom de gehele samenloop van omstandigheden meegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat we tot de conclusie zijn gekomen dat we weliswaar zijn misleid, maar niet per definitie met kwade opzet.
(...)
Herstel polis [polisnummer]
Er is een mogelijkheid dat uw polis wordt hersteld alsof de beëindiging nooit heeft plaatsgevonden. Uw polis zou dan weer vallen onder het fiscaalregime wat er toen gelde.
U moet dan wel rekening houden met de premies die dan in een keer over deze gehele periode ineens moeten worden geïncasseerd. Ik weet natuurlijk niet wat u persoonlijke voorkeur heeft en vraag u dit na overleg met uw adviseur in antwoord op deze mail aan te geven. Een precieze berekening kan de afdeling verzorgen die hier over gaat.”
Belanghebbende heeft bij de politie valsheid in geschrifte, identiteitsfraude en schending van het briefgeheim door zijn ex-partner gemeld, hetgeen is vastgelegd in een proces-verbaal van 23 juni 2023. Hij heeft geen aangifte gedaan.
Met dagtekening 22 november 2023 heeft de directeur van de verzekeraar een brief aan belanghebbende gestuurd met als onderwerp “herstel verzekering”:
“Beste [belanghebbende],
Middels deze brief bevestigen wij u dat wij uw verzekering met polisnummer [polisnummer] hebben hersteld.
De situatie van vóór afkoop is daarmee weer van toepassing.
Meer weten?
(...)”
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 maart 2024 geoordeeld dat de Inspecteur de afkoopsom voor de lijfrente terecht bij belanghebbende in aanmerking heeft genomen. De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanspraak op de lijfrente op basis van de afspraken in het kader van de echtscheiding aan zijn ex-partner toekomt en dat de negatieve inkomsten voor inkomensvoorzieningen aldus in de aangifte IB/PVV 2018 van de ex-partner in aanmerking dienen te worden genomen.
De stelling van belanghebbende dat hij niet op de hoogte was van de beëindiging van de polis door zijn ex-partner acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook de stelling van belanghebbende dat zijn handtekening is vervalst door zijn ex-partner acht de Rechtbank niet aannemelijk. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat door het herstel van de polis in 2023 geen sprake zou zijn van een afkoop van de lijfrente in het jaar 2018. De heffing over de afkoop en de in rekening gebrachte revisierente heeft de Rechtbank in stand gelaten.
3 Geschil
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2018 naar het juiste bedrag is opgelegd, of daarbij terecht revisierente is berekend en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade.
Belanghebbende beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend en de laatste vraag bevestigend. Hij stelt primair dat hij de lijfrente in 2018 niet heeft afgekocht, zodat de afkoopwaarde van de polis ten onrechte bij hem is belast en hem ten onrechte revisierente in rekening is gebracht. Subsidiair stelt hij dat het in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid om hem revisierente in rekening te brengen, aangezien hij de lijfrenteafkoopsom niet heeft genoten en de lijfrente door de verzekeraar ook is hersteld. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding stelt belanghebbende dat hij buiten zijn schuld om veel kosten heeft moeten maken.
De Inspecteur beantwoordt deze vragen tegenovergesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de lijfrente in 2018 heeft afgekocht, en als belanghebbende dat zelf niet heeft gedaan toch een afkoop bij hem in aanmerking moet worden genomen. Er is volgens de Inspecteur geen reden om geen revisierente in rekening te brengen. De Inspecteur ziet geen aanleiding voor een schadevergoeding.