Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1659, 24/1488 t/m 24/1493

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1659, 24/1488 t/m 24/1493

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomen uit sparen en beleggen.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1488 tot en met 24/1493

uitspraakdatum: 17 maart 2026

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juni 2024, nummers ARN 23/3420 en 23/3476 tot en met 23/3480, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd waarbij onder meer belasting is geheven over een voordeel uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3). De Inspecteur heeft voor de jaren 2015 tot en met 2019 bij beschikking de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de IB/PVV afgewezen (hierna: de beschikkingen).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de beschikkingen alsmede tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6.

Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingestuurd.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Alle zaken zijn ter zitting met instemming van partijen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. S.P.R. Steinmaier, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [naam1] , alsmede mr. [naam2] en mr. [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum1] en gehuwd met [naam4] , geboren op [geboortedatum2] (hierna: de partner).

2.2.

Belanghebbende is eigenaar van de eigen woning (box 1) aan de [adres1] te [woonplaats] (hierna: de eigen woning). De eigenwoningschuld ter zake van deze woning is nihil. De WOZ-waarden van de eigen woning zijn bij beschikking door de heffingsambtenaar als volgt vastgesteld:

Belastingjaar

WOZ-waarde

2015

€ 486.000

2016

€ 475.000

2017

€ 475.000

2018

€ 500.000

2019

€ 710.000

2020

€ 760.000

2.3.

De (binnenlandse) banktegoeden van belanghebbende en de daarop ontvangen rente voor de onderhavige jaren bedragen:

Jaar

Saldo per 1/1

Rente bijschrijving 1/1

2015

€ 5.561.147

€ 71.273

2016

€ 5.653.749

€ 49.332

2017

€ 4.904.239

€ 24.745

2018

€ 4.406.149

€ 9.431

2019

€ 3.787.270

€ 5.407

2020

€ 4.258.340

€ 4.769

2.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren effectenrekeningen en langlopende spaardeposito’s, en was (middellijk) aandeelhouder (aanmerkelijk belang) van een aantal vennootschappen.

2.5.

Belanghebbende heeft een krachtens erfrecht verkregen niet opeisbare vordering op zijn moeder. De – in box 3 gedefiscaliseerde – vordering wordt elk jaar verhoogd met 6% rente. De waarden van de vordering zijn op de relevante peildata als volgt:

Peildatum

Waarde

1 januari 2015

€ 145.343

1 januari 2016

€ 154.064

1 januari 2017

€ 163.307

1 januari 2018

€ 173.106

1 januari 2019

€ 183.492

1 januari 2020

€ 194.502

2.6.

Op 2 juli 2015 heeft belanghebbende voor een bedrag van € 81.580 uit een erfenis van familie een perceel landbouwgrond van 1.23.85 hectare gekocht.

2.7.

Op 7 september 2017 heeft belanghebbende een woning gelegen aan de [adres2] te [plaats] (hierna: de tweede woning) gekocht voor € 584.250. Deze tweede woning behoort tot het box 3-vermogen en wordt niet verhuurd. Op 24 december 2019 heeft belanghebbende een stuk grond gekocht van 493 m2 voor € 144.716, dat als extra tuin dient en tot het WOZ-object van de tweede woning wordt gerekend. De WOZ-waarden van de tweede woning zijn bij beschikking door de heffingsambtenaar als volgt vastgesteld:

Belastingjaar

WOZ-waarde

2017

€ 530.000

2018

€ 570.000

2019

€ 580.000

2020

€ 659.000

2.8.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2020, overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften, aanslagen in de IB/PVV opgelegd, waarbij onder meer belasting is geheven over het box 3-inkomen. Het gehele box 3-inkomen is toegerekend aan belanghebbende. De aanslagen zijn opgelegd met de volgende dagtekeningen en berekend naar de volgende forfaitaire box 3-inkomens en box 3-heffingen.

Jaar

Dagtekening

Box 3-inkomen

Box 3-heffing (30%)

2015

27 oktober 2017

€ 246.144

€ 73.843

2016

10 november 2017

€ 252.145

€ 75.643

2017

12 juni 2018

€ 307.150

€ 92.145

2018

1 juni 2019

€ 304.936

€ 91.480

2019

2 oktober 2020

€ 267.348

€ 80.204

2020

3 september 2021

€ 252.830

€ 75.849

2.9.

Belanghebbende heeft (ruim) ná het onherroepelijk worden aan de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2019 verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen ingediend. De Inspecteur heeft bij beschikking deze verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Tevens heeft belanghebbende op 14 oktober 2021, dus tijdig, bezwaar gemaakt tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020. De aanslag voor het jaar 2020 is naar aanleiding van de collectieve uitspraak op bezwaar van 4 februari 2022 (Staatscourant 2022, 4198) bij verminderingsbeschikking van 23 december 2022 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.542.

2.10.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de beschikkingen alsmede tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 tot en met 2019 terecht zijn afgewezen. Het geschil spitst zich toe tot de vraag of belanghebbende door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat het voordeel uit box 3 voor het jaar 2020 dient te worden verminderd tot € 1.732, zodat de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.732. In zoverre is het hoger beroep gegrond.

3.3.

Partijen hebben de door hen in de stukken bepleite werkelijke rendementen (zoals afgestemd ter zitting van het Hof) voor de betreffende jaren als volgt berekend (bedragen in euro’s en cursief de bedragen die in geschil zijn):

2015

2016

2017

2018

2019

Insp

Blh

Insp

Blh

Insp

Blh

Insp

Blh

Insp

Blh

Rente

71.273

49.332

49.332

24.745

24.745

9.431

9.431

5.407

5.407

4.769

Opbrengst beleggingen

22.180

22.180

24.705

24.705

35.791

35.791

24.505

24.505

4.208

4.208

Correctie meegekochte rente in 2014

0

-/-12.330

Waardemutatie beleggingen

6.803

6.803

10.211

10.211

24.000

24.000

-/-10.937

-/-10.937

39.632

39.632

Pachtinkomsten

400

400

800

800

800

800

800

800

800

800

Waardemutatie landbouwgrond

2.000

-/-

19.628

Waardemutatie tweede woning

12.712

12.712

10.000

10.000

79.000

-/-

65.716

Werkelijk rendement

102.656

46.757

85.048

60.461

98.048

82.734

33.799

29.775

129.047

-/-16.307

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing