Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1661, 25/2055

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1661, 25/2055

Inhoudsindicatie

De verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto vormt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 25/2055

uitspraakdatum: 17 maart 2026

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, nummer LEE 24/4943, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815, in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gedurende het belastingjaar 2020 in dienstbetrekking werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever).

2.2.

Op 2 april 2019 heeft de werkgever een definitieve bestelling geplaatst voor de levering van een elektrische auto, teneinde die aan belanghebbende ter beschikking te stellen voor zakelijke doeleinden en privédoeleinden. Het gaat om een Hyundai Kona met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De verwachte levertijd bedroeg op dat moment ongeveer 12 maanden.

2.3.

De datum van eerste toelating (tevens tenaamstelling) van de auto is 20 mei 2020. Op dezelfde dag is de auto geleverd en door de werkgever aan belanghebbende ter beschikking gesteld. De catalogusprijs van de auto is in het kentekenregister van de RDW geregistreerd op een bedrag van € 40.910 en de CO2-uitstoot op 0 gram per kilometer.

2.4.

De werkgever heeft bij de inhouding van loonheffingen over het kalenderjaar 2020 een forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van de auto in aanmerking genomen, waarbij is uitgegaan van 8% van de catalogusprijs van de auto en rekening is gehouden met de door belanghebbende betaalde werknemersbijdrage.

2.5.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een negatieve correctie van € 945 op het loon aangegeven, met als toelichting ‘Corr bijt auto van 8% naar 4% over 40.910’. Op dezelfde dag heeft belanghebbende naar de Inspecteur een brief gestuurd waarin hij zijn standpunt met betrekking tot deze correctie op de bijtelling toelicht. Belanghebbende heeft de correctie berekend door uit te gaan van het bijtellingstarief dat voor elektrische auto’s in 2019 (4% in plaats van 8%) gold.

2.6.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 september 2023 een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.298. Daarbij is de Inspecteur afgeweken van de aangifte door de negatieve correctie van € 945 niet in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft op 6 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

2.7.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2025 het beroep tegen de uitspraken op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhoging met ingang van 1 januari 2020 van de per saldo bijtelling van 4% naar 8% van nulemissieauto’s (verlaging van de korting van 18% naar 14%) in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Die schending bestaat ten aanzien van de groep belastingplichtigen die op het moment van aankondigen van de verdubbeling van de bijtelling reeds redelijkerwijs onomkeerbare (financiële) verplichtingen waren aangegaan. Door met deze groep geen rekening te houden, is er volgens de Rechtbank geen sprake van een ‘fair balance’. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wetgever geen woord heeft gewijd aan de specifieke gevallen, zoals die van belanghebbende, waarbij al verplichtingen zijn aangegaan die redelijkerwijs niet meer kunnen worden teruggedraaid, zodat de gevolgen van de verhoging van de bijtelling voor die gevallen door de wetgever niet zijn meegewogen. Verder heeft de Rechtbank overwogen dat deze groep belastingplichtigen voorafgaand aan de aankondiging van de nieuwe wetgeving op 28 juni 2019 de gerechtvaardigde verwachting (‘good faith’) had dat de wetgever zich zou houden aan eerder aangekondigde plannen en het bijtellingspercentage niet zomaar zou verdubbelen. Voor de aantasting van de gerechtvaardigde verwachtingen van deze groep ziet de Rechtbank geen specifieke en dwingende redenen. De Rechtbank heeft gelet op de schending van artikel 1 EP de bijtelling wegens privégebruik van de auto ter zake van belanghebbende verminderd naar het bijtellingspercentage van vóór de aankondiging, te weten (per saldo) 4%.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag in de IB/PVV voor 2020 op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de per saldo verhoging van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto per 1 januari 2020, in een geval als dat van belanghebbende, – op stelselniveau – een onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 EP. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen hebben ter zitting van het Hof eenparig verklaard dat ervan kan worden uitgegaan dat het voordeel dat de werkgever bij de inhouding van loonheffingen in 2020 ter zake van het privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen € 76 bedraagt.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -/- € 76).

3.4.

Belanghebbende concludeert, gelet op het onder 3.2 overwogene, eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -/- € 76).

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing