Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555, 24/1054
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555, 24/1054
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 27 januari 2026
- Datum publicatie
- 5 februari 2026
- Zaaknummer
- 24/1054
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 2 BPB
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning. Proceskostenvergoeding. Bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46)?
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1054
uitspraakdatum: 27 januari 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2024, nummer AWB 22/5904, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 1.961.000.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn partner [naam1] en door zijn gemachtigde A. Oosters, alsmede mr. [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] (taxateur). Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat teneinde de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid te geven overtuigend aan te tonen dat hij (niet) voldoet aan het derde criterium genoemd in overweging 3.5.1 in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.1 Het Hof heeft verder bepaald dat daarna de heffingsambtenaar in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren en aangekondigd dat de zaak naar een meervoudige kamer zal worden verwezen, zodat de beslissing over de wijze waarop het derde criterium moet worden uitgelegd in meervoudig verband kan worden genomen. Van de zitting is een proces-verbaal opgesteld, dat op 3 oktober 2025 in het digitale zaaksdossier is geplaatst.
In het arrest van 26 september 20252 heeft de Hoge Raad bepaald dat niet wordt voldaan aan de eerste van de drie criteria die de Hoge Raad in overweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025 formuleerde, indien overtuigend wordt aangetoond dat het bedrijfsmodel van een gemachtigde voor het instellen van het rechtsmiddel zodanig was ingericht dat niet langer werd gewerkt op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Tot dit arrest gingen partijen met betrekking tot dit eerste criterium ervan uit dat doorslaggevend was dat in de onderhavige zaak op basis van no cure no pay werd gewerkt, hetgeen niet in geschil was. Bij bericht van 3 oktober 2025 heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld voor 1 november 2025 overtuigend aan te tonen dat (niet) wordt voldaan aan het eerste criterium zoals nader gepreciseerd in het arrest van 26 september 2025.
De gemachtigde van belanghebbende heeft gereageerd bij bericht (incl. bijlagen) met dagtekening 11 september 2025 (met betrekking tot het derde criterium) en 14 oktober 2025 (met betrekking tot het eerste criterium).
Bij bericht van 15 oktober 2025 heeft het Hof de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld voor 15 november 2025 te reageren. Bij bericht met dagtekening 14 november 2025 heeft de heffingsambtenaar dit gedaan.
Bij bericht van 19 november 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof, gelet op het arrest van 26 september 2025, niet langer voornemens is de onderhavige zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer en dat het Hof verder van oordeel is dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Het Hof heeft partijen verzocht uiterlijk 10 december 2025 aan het Hof te berichten of zij mondelinge behandeling op een nadere zitting wensen.
Bij bericht van 11 december 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof het onderzoek heeft gesloten en heeft bepaald dat binnen 6 weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2 Vaststaande feiten
De woning is een in 2002 gebouwde villa met een garage. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 358 m², waaronder een souterrain van 84 m² en is gelegen op een perceel van 4.105 m². Belanghebbende is eigenaar van de woning.
3 Geschil
In geschil is de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2021. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze te hoog is vastgesteld, hetgeen de heffingsambtenaar betwist. Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.527.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waarde van € 1.961.000.
Verder is, als belanghebbende in hoger beroep recht heeft op een vergoeding van proceskosten, in geschil of de gemachtigde van belanghebbende een ‘bijzonder geval’ is als bedoeld in overweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.3 Voor het geval deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, heeft de heffingsambtenaar subsidiair gesteld dat de wanverhouding tussen de door het bedrijf van de gemachtigde bij belanghebbende in rekening gebrachte kosten en de forfaitaire vergoeding een bijzondere omstandigheid vormt om de proceskosten op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) fors te matigen tot een vergoeding van de werkelijk in rekening gebrachte kosten.