Home

Gerechtshof Arnhem, 05-01-2000, AA5065, 98/3520

Gerechtshof Arnhem, 05-01-2000, AA5065, 98/3520

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
5 januari 2000
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2000:AA5065
Zaaknummer
98/3520

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 98/3520

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid *X Beheer B.V. te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden haar voor het jaar 1997 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd *V.1 en gedagtekend 15 augustus 1998, is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 698.592.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 10 september 1998 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 18 september 1998.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek met de daarbij gevoegde bijlagen en een op 13 november 1998 door de Inspecteur aan het Hof gezonden, aan de Inspecteur gerichte brief van belanghebbende van 12 november 1998.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 22 december 1999 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede * de Inspecteur.

2.4. De notities van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur bij de mondelinge behandeling hebben gehouden, worden, met bijlagen, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Op 14 februari 1997 is *A, wonende te *Z, overleden. *A was directeur/enig aandeelhouder van belanghebbende. De gemachtigde in dit geding is één van zijn erfgenamen. Door het overlijden van *A vielen de door belanghebbende in de boekhouding opgenomen pensioen- en lijfrenteverplichtingen tot een bedrag van ƒ 640.935 vrij.

3.2. Met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van belanghebbende over het jaar 1997 doet zich het volgende voor:

23.07.97 De gemachtigde vult op het schattingsformulier vennootschapsbelasting 1997 in als belastbare winst: ƒ 530.000;

30.08.97 dagtekening voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 naar een belastbaar bedrag van ƒ 530.000; de voorlopige aanslag wordt verzonden naar het adres van belanghebbende;

15.09.97 vermindering van de voorlopige aanslag van ƒ 530.000 tot nihil; de vermindering vindt plaats naar aanleiding van een door *accountantskantoor B (hierna: B) ingezonden formulier; de verminderingsbeschikking wordt toegezonden aan *B;

17.09.97 de gemachtigde vraagt schriftelijk aan de Inspecteur wie namens belanghebbende aangifte heeft gedaan, hetgeen heeft geleid tot voormelde vermindering;

29.09.97 *B informeert de gemachtigde omtrent de oorzaak van de door haar *B) aan de Inspecteur verstrekte schatting van het belastbaar bedrag van belanghebbende;

24.10.97 de Inspecteur informeert belanghebbende omtrent op zijn eenheid gemaakt fouten met betrekking tot de toezending van stukken aan belanghebbende en verminderingen van aanslagen die ten onrechte hebben plaatsgevonden;

20.11.97 dagtekening van de aan belanghebbende opgelegde nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 naar een belastbaar bedrag van ƒ 530.000;

10.12.97 ontvangst bezwaarschrift van belanghebbende tegen de nadere voorlopige aanslag;

08.01.98 dagtekening uitspraak op het bezwaarschrift; de Inspecteur wijst het bezwaar af.

06.02.98 ontvangst ter griffie van het Hof van het beroepschrift van belanghebbende tegen de nadere voorlopige aanslag;.

28.05.98 ontvangst op de eenheid van de Inspecteur van het aangiftebiljet vennootschapsbelasting 1997 naar een belastbaar bedrag van ƒ 57.657;

in de toelichting bij het aangiftebiljet wordt vermeld: 'De buitengewone bate van ƒ 640.935 uit de vrijval pensioenen en lijfrenteverplichtingen is hangende de uitspraak van het gerechtshof Arnhem in kwestie buiten het resultaat voor de belasting gehouden';

26.05.98 gesprek op de eenheid van de Inspecteur met de gemachtigde over de fouten dan wel misverstanden bij de vermindering van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997;

31.07.98 dagtekening kennisgeving ambtshalve vermindering van de nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 overeenkomstig de ingediende aangifte naar een belastbaar bedrag van ƒ 57.657;

15.08.98 dagtekening definitieve aanslag vennootschapsbelasting 1997 naar een belastbaar bedrag, samengesteld als volgt:

belastbaar bedrag volgens aangifte ƒ 57.657

correctie vrijval pensioen- en

lijfrenteverplichtingen - 640.935

vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 698.592.

10.09.98 dagtekening uitspraak op het bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 1997.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de onder de feiten vermelde gang van zaken meebrengt, dat de aanslag vennootschapsbelasting 1997 moet worden verminderd met het bedrag van ƒ 640.935, het bedrag van de vrijval van de pensioen- en lijfrenteverplichtingen, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervoor onder de vaststaande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven-

Namens belanghebbende:

Bij de heffing van loonbelasting van belanghebbende is ook het een en ander verkeerd gegaan.

Door de vele fouten aan de zijde van de Belastingdienst was de zaak voor haar niet meer traceerbaar. Er was sprake van een trukendoos.

Zij was zich van af het overlijden van haar vader ervan bewust dat de vrijval van de pensioen- en lijfrenteverplichtingen tot belastingheffing moest leiden.

Door de Inspecteur:

De belastingschuld vloeit voort uit de wet. De gesignaleerde onvolkomenheden kunnen daaraan niet afdoen. In dit geval is geen sprake geweest van schending van het vertrouwensbeginsel.

Het spijt hem dat hij er niet in is geslaagd de irritatie bij de gemachtigde weg te nemen.

4.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot het aangegeven belastbaar bedrag van ƒ 57.657, alsmede tot teruggaaf van het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak en tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat door fouten van de Inspecteur bij de vermindering van de eerste voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 en de vaststelling en vermindering van de nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 sprake is van verregaande onzorgvuldigheid aan de zijde van de Belastingdienst, waardoor de vereiste rechtszekerheid is aangetast. Belanghebbende verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 en de definitieve aanslag vennootschapbelasting 1997 moeten worden verminderd met het bedrag van ƒ 640.935 ter zake van de vrijval van de pensioen- en lijfrenteverplichtingen.

5.2. Omtrent de voorlopige aanslag is in Kamerstukken H, 1996-1997, 24 868, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag) het volgende opgemerkt

"Het karakter van de voorlopige aanslag brengt mee dat een standpunt van de inspecteur dat aan een voorlopige aanslag ten grondslag kan liggen, een voorlopig karakter heeft. Aan de enkele omstandigheid van de vaststelling of vermindering van een voorlopige aanslag (ambtshalve, in bezwaar of beroep) kan de belastingplichtige dan ook geen te honoreren vertrouwen ontlenen met betrekking tot de vaststelling van de definitieve aanslag. Dit wordt slechts anders indien de - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden bij de belastingplichtige de gerechtvaardigde indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling berust op een bewuste définitieve standpuntbepaling van de inspecteur met betrekking tot de rechtsvraag."

5.3. De gemachtigde heeft ter zitting, desgevraagd, gesteld dat het haar vanaf het overlijden van haar vader duidelijk was dat de voornoemde vrijval zou leiden tot heffing van vennootschapsbelasting. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de Inspecteur zich in met de gemachtigde gevoerde gesprekken of correspondentie op het standpunt heeft gesteld, dan wel de schijn heeft gewekt dat bedoelde vrijval niet tot belastingheffing zou te leiden.

5.4. Blijkens de stukken is de vermindering van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 gegeven na ontvangst door de Inspecteur van een schatting van het belastbaar bedrag van belanghebbende over 1997 van *B, het kantoor dat in het verleden door de vader van de gemachtigde, in zijn hoedanigheid van directeur van belanghebbende, was gemachtigd tot het opgeven van die schatting. De vermindering van de nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997 is gegeven door vermindering van deze nadere voorlopige aanslag tot het in de aangifte over 1997 van belanghebbende vermelde belastbaar bedrag.

5.5. Beide verminderingen zijn, gelet op de omstandigheden en zoals belanghebbende terecht stelt, niet steeds op gelukkige wijze tot stand gekomen. Het Hof kan in zoverre begrip opbrengen voor de bij de gemachtigde van belanghebbende ontstane verwarring. De handelwijze van de Belastingdienst is evenwel naar het oordeel van het Hof niet zodanig onzorgvuldig of anderszins in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur dat daardoor het bedrag van de vrijval buiten de heffing van vennootschapsbelasting zou behoren te blijven. Evenmin kan die handelwijze bij belanghebbende in redelijkheid, gelet op de in 5.3. bedoelde verklaring van haar gemachtigde, het vertrouwen hebben opgewekt dat de Inspecteur van belastingheffing zou afzien.

5.6. Voor het onderhavige geding betekent dit dat de Inspecteur terecht bij de bestreden uitspraak de aanslag vennootschapsbelasting 1997 heeft gehandhaafd.

5.7. De gang van zaken rechtvaardigt wel dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- bevestigt de bestreden uitspraak;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 80 te vergoeden.

Aldus gedaan en in openbaar uitgesproken op 5 januari. 2000 door mr. Van Schie, vice-president, als voorzitter, mrs. Röben en Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Den Ouden, als griffier.

(R. den Ouden) (P.M. van Schie)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 januari 2000

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d .de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.