Home

Gerechtshof Arnhem, 23-01-2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA0008, 05-00335

Gerechtshof Arnhem, 23-01-2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA0008, 05-00335

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23 januari 2007
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2007:BA0008
Zaaknummer
05-00335

Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting.

Het hof gaat ervan uit dat de ambtelijke verklaring berust op een foutieve waarneming. Vernietiging naheffingsaanslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 05/00335

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 1 augustus 2005, nummer AWB 05/466, in het geding tussen belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Naheffingsaanslag, bezwaar, beroep en geding voor het Hof

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 19 juli 2002 tot en met 18 juli 2004 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (verder: MRB) opgelegd ten bedrage van € 1.865.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Een kopie van de uitspraak van de Rechtbank is aan deze uitspraak gehecht.

1.4. De Inspecteur is van deze uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij dit Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden te Arnhem op 31 oktober 2006. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.6. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen dienaangaande is opgenomen onder “Gronden” van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is de vraag of het motorrijtuig van belanghebbende ten tijde van de visuele controle voldeed aan de inrichtingseisen van een bestelauto. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

3.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank; belanghebbende tot, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat het motorrijtuig ook op de controledatum (25 juni 2004) voldeed aan de gestelde eisen omdat het was voorzien van geblindeerde ramen en een volledig tussenschot. Op 13 januari 2005 is door controleambtenaar A bij een nadere controle van de VW-bus geconstateerd dat een volledig tussenschot tussen de laadruimte en de cabine aanwezig was, dat de ramen links en rechts in de laadruimte door panelen waren geblindeerd en dat het motorrijtuig aldus aan de gestelde eisen voldeed.

4.2. Met die verklaring is in strijd hetgeen de controleambtenaar A schriftelijk verklaart op 25 juni 2004 te hebben waargenomen, namelijk dat links en rechts ramen in de laadruimte aanwezig waren en dat er geen volledig tussenschot tussen laadruimte en cabine bestond.

4.3. Belanghebbende heeft ter zitting opgemerkt dat de visuele controle op de A6 bij de plaats Q heeft plaatsgevonden vanuit een links van de bus rijdende auto die beduidend lager is dan die VW-bus en dat de controleambtenaar schuin omhoog heeft moeten kijken en daarbij in zijn waarnemingen misleid kan zijn door spiegelingen in de ruiten en daardoor de achter deze ruiten geplaatste panelen niet heeft gezien.

4.4. Het door de belanghebbende gehouden betoog, de indruk die het Hof van hem ter zitting heeft gekregen en de foto’s van de VW-bus die door belanghebbende zijn overgelegd, hebben bij het Hof de overtuiging versterkt dat niet geheel kan worden uitgesloten dat de verklaring van de controleambtenaar berust op een foutieve waarneming en dat de VW-bus inderdaad reeds op 25 juni 2004 voldeed aan de in de MRB aan een bestelauto gestelde eisen.

4.5. De Inspecteur die zich slechts op de voor het bewijs onbruikbaar geworden verklaring heeft beroepen dient de gevolgen van de bewijsnood waarin hij alsdan komt te verkeren voor zijn rekening te nemen. Er is geen op 25 juni 2004 opgemaakte ambtsedige verklaring van beide controleambtenaren, er is geen foto voorhanden van de VW-bus op die dag en de bus is niet op die dag staande gehouden en aan een nader onderzoek onderworpen. Een en ander voert het Hof tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt of geworden dat de VW-bus op 25 juni 2004 niet aan de wettelijke vereisten voor een bestelauto voldeed.

4.6. Het hoger beroep is mitsdien gegrond.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten maal € 322 maal wegingsfactor 1 ofwel € 644.

6. Beslissing

Het Hof

-vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

-vernietigt de uitspraak op bezwaar,

-vernietigt de naheffingsaanslag,

-gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 103,

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 23 januari 2007 te Arnhem door mr. Lamens, voorzitter, mr. Ettema en mr. Spek, raadsheren en op die datum door de voorzitter in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. Darwinkel als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 februari 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.