Home

Gerechtshof Arnhem, 21-07-2009, BJ3739, 08-00153

Gerechtshof Arnhem, 21-07-2009, BJ3739, 08-00153

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21 juli 2009
Datum publicatie
24 juli 2009
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3739
Zaaknummer
08-00153

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Oude huurovereenkomst vormt basis voor resultaatbepaling uit TBS-regeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00153

uitspraakdatum: 21 juli 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2008, nummer AWB 07/2290, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.537 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.667. Aan heffingsrente is een bedrag berekend van € 2.732.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.276 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.667.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek heeft gereageerd. Belanghebbende heeft daaropvolgend een aanvulling op zijn conclusie van repliek ingediend, welke ter kennisgeving is doorgezonden aan de Inspecteur.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende bijgestaan door A, als haar gemachtigde, alsmede namens de Inspecteur, B.

1.7. De Inspecteur heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt zonder bezwaar van de wederpartij door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.9. Belanghebbende heeft op 2 juli 2009 een brief aan het Hof gestuurd. Het Hof heeft in deze brief geen aanleiding gevonden het onderzoek te heropenen.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar de volgende door de Rechtbank vastgestelde feiten (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur).

“Eiseres is onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met C (hierna: de echtgenoot).

Eiseres is eigenaar van het pand a-straat 1 te Q. De echtgenoot heeft in het pand een Chinees Indisch restaurant geëxploiteerd. Van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1994 heeft hij het restaurant samen met twee compagnons geëxploiteerd. Vanaf 1 januari 1995 drijft hij het restaurant in de vorm van een eenmanszaak.

Eiseres heeft het pand verhuurd aan haar echtgenoot en zijn compagnons. Tot de gedingstukken behoort een huurovereenkomst van 1 augustus 1992 tussen eiseres, verhuurder, en haar echtgenoot en zijn compagnons, huurders. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 10.500 per maand.

Met ingang van 1 februari 1999 heeft de echtgenoot het restaurant voortgezet als een afhaalrestaurant in een deel van het pand. De rest van het pand, bestaande uit het restaurant en de parkeergelegenheid (hierna: de bedrijfsruimte), is verhuurd aan D. D heeft in de bedrijfsruimte een casino geëxploiteerd.

Verweerder heeft een huurovereenkomst van 1 februari 1999 overgelegd, waarin de echtgenoot van eiseres optreedt als verhuurder en D als huurder. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 10.000 per maand.

Met ingang van 1 april 2000 is een nieuwe huurovereenkomst aangegaan met D. Bij deze overeenkomst treden eiseres en haar echtgenoot samen op als verhuurder. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaren. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 18.000 per maand.

De huurbedragen van f. 18.000 per maand zijn door D betaald aan de echtgenoot van eiseres, die de ontvangsten heeft verantwoord in de kasboeken van zijn onderneming.

Met ingang van 8 augustus 2001 is de huurovereenkomst met D tussentijds en met onmiddellijke ingang beëindigd.

Op 30 september 2001 heeft de echtgenoot de exploitatie van het afhaalrestaurant overgedragen aan de broer van eiseres.

Met ingang van 1 oktober 2001 hebben eiseres en haar echtgenoot, samen optredend als verhuurder, de bedrijfsruimte verhuurd aan E.

Eiseres heeft voor het jaar 2001 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.335. Omdat verweerder van mening is dat de terbeschikkingsregeling van toepassing is op het door eiseres aan haar echtgenoot ter beschikking gestelde pand, heeft hij de aangifte IB/PVV voor het jaar 2001 bij de aanslagregeling gecorrigeerd (…)”

Het Hof stelt verder op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. De hiervoor aangehaalde huurovereenkomst van 1 augustus 1992 tussen belanghebbende enerzijds en haar echtgenoot en zijn compagnons anderzijds, bevat de volgende bepalingen:

“ Artikel 1

De verhuurder verhuurt aan de huurder, die in huur aanneemt:

het winkel/woonhuis en parkeergelegenheid

staande en gelegen te Q

aan de a-straat 1

om te worden gebruikt: als horecapand annex woning.

Artikel 2

De overeenkomst is aangegaan voor:

een tijdvak van 5 jaar plus 5 jaar optie

ingaande 1 augustus 1992

derhalve eindigend op 30 juli 1997

Artikel 3

1. De huurder is aan de verhuurder een huurprijs verschuldigd van ƒ 10.500,-- (zegge: tienduizendvijfhonderdgulden) per maand (…)

(…)

Artikel 6

1. De huurder is gehouden het gehuurde behoorlijk en ordelijk, overeenkomstig de bestemming, bedoeld in artikel 1, te gebruiken. Hij moet zorgdragen voor het gang- en sluitbaar houden van ramen en deuren, het onderhoud van sloten, krukken en raamkoorden, het schoonhouden, resp. ontstoppen van putten, afvoerbuizen voor hemelwater, closets, gootstenen, baden, vaste wastafels, fonteinbakjes en van alle aan- en afvoerleidingen binnenshuis zonder uitzondering.

2. Voor zover deze in het gehuurde aanwezig zijn, is huurder verplicht te zorgen voor het schoonhouden en het dagelijks onderhoud van de gehele installatie voor centrale verwarming, de ketel en alle leidingen inbegrepen, en van de boiler. Hij is verplicht de ketel van de verwarmingsinstallatie jaarlijks door een deskundige te laten schoonmaken en het bewijsstuk hiervan, voor de aanvang van het nieuwe stookseizoen, bij de verhuurder in te leveren. Huurder is verantwoordelijk voor een deskundig gebruik van de verwarmingsinstallatie.

3. Huurder dient te zorgen voor het onmiddellijk doen herstellen van glasruiten, welke gedurende de huurtijd mochten breken, onverschillig door welke oorzaak, met dezelfde soort glas als de oorspronkelijke. Verstoppingen in de riolering, voor zover niet ontstaan door daaraan voorkomende gebreken, zullen mede door en voor rekening van de huurder moeten worden hersteld. De schoorstenen moeten op geregelde tijden en ten minste eenmaal per jaar voor rekening van de huurder worden geveegd. De huurder is verplicht alle gewitte muren en plafonds voor zijn rekening te onderhouden en uitsluitend met zuivere kalk te witten.

4. Indien huurder zijn onderhoudsverplichtingen als voren omschreven niet of niet volledig nakomt, is verhuurder, nadat hij huurder in gebreke heeft gesteld, gerechtigd zelfstandig de hiertoe vereiste werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren en de gemaakte kosten op huurder te verhalen, die zich ten aanzien van het bedrag daarvan zal gedragen naar de bonafide opgave daaromtrent van verhuurder.

(…)

Artikel 17

De in artikel 3 bedoelde huurprijs, zal na verloop van vijf huurjaren, voor het eerst op 1 augustus 1997, worden herzien. (…)

(…)

Artikel 19

De huursverhoging mag niet meer bedragen dan maximaal 3 % per jaar.

Bij overdracht van de exploitatie door de huurder zal voor de nieuwe huurder dezelfde condities gelden als bij deze overeenkomst.”

2.2. In het rapport dat is opgesteld over het boekenonderzoek bij de onderneming van de echtgenoot heeft de Inspecteur het volgende opgemerkt over de huurkosten van het pand:

“(…) Als kostenpost werd (globaal) geboekt, het bedrag dat de echtgenote had af te dragen aan rente en kosten van de hypotheek. De echtgenote van belastingplichtige vermeldde dit bedrag tot en met 2000 aan als inkomsten uit vermogen. (…)”

2.3. Daarnaast werd in het rapport over de bepaling van belanghebbendes resultaat uit overige werkzaamheden uit de terbeschikkingstelling van het pand opgemerkt:

“(…) Gelet op de korte periode van terbeschikkingstelling wordt aangenomen, dat er geen waardeaangroei geweest is. Een afschrijving op het onroerend goed is echter ook niet op zijn plaats. (…)”

2.4. De echtgenoot heeft in zijn jaarrekening een bedrag van ƒ 64.866 opgenomen als huurkosten van het pand. Daarnaast heeft haar echtgenoot de door belanghebbende verschuldigde hypotheekrente betaald en ten laste van zijn winst gebracht. Ook heeft hij de onderhoudskosten betaald en ten laste van zijn winst gebracht. Tot deze onderhoudskosten behoort onder meer een bedrag van ruim ƒ 16.000 voor het aanbrengen van kunststof kozijnen.

2.5. De echtgenoot heeft kosten voor een advocaat moeten maken. In de factuur van 22 november 2001 declareert F een bedrag van ƒ 4.187,18 aan de echtgenoot inzake “C/D”.

2.6. De Inspecteur berekent het belastbare inkomen uit werk en woning bij zijn uitspraak op bezwaar als volgt:

Door de echtgenoot ontvangen huur in 2001 ƒ 126.000

Af: hypotheekrente pand ƒ 11.621

Onderhoudskosten - 19.176

Advocaatkosten - 4.187

- 34.984

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning ƒ 91.016

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil tot welk bedrag het resultaat uit overige werkzaamheden uit de terbeschikkingstelling van het pand in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in aanmerking moet worden genomen.

3.2. Belanghebbende bepleit een resultaat uit overige werkzaamheden van ƒ 72.703, zijnde de geïndexeerde huur volgens de huurovereenkomst uit 1992, verminderd met de hypotheekrente van ƒ 11.621 en de onderhoudskosten van ƒ 19.176.

3.3. De Inspecteur stelt het resultaat uit overige werkzaamheden op ƒ 91.016 zoals uit de onder 2.5. genoemde berekening volgt.

3.4. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.991 (ƒ 72.703) en dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente.

3.6. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet meer in geschil, dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001 het pand in zijn geheel ter beschikking heeft gesteld aan haar echtgenoot die het pand heeft aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming. Het resultaat dat belanghebbende met deze terbeschikkingstelling van het pand behaalt, behoort tot haar resultaat uit overige werkzaamheden. De bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid vindt plaats alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.

4.2. De Inspecteur stelt belanghebbendes resultaat op de door haar echtgenoot ontvangen huurpenningen uit de verhuur van het pand aan D, verminderd met de kosten die belanghebbendes echtgenoot ten laste van zijn winst uit onderneming heeft gebracht. De huurovereenkomst die belanghebbende op 1 augustus 1992 heeft afgesloten geldt volgens de Inspecteur niet meer tussen partijen. Daarnaast zou de uit deze huurovereenkomst voortvloeiende huur van ƒ 11.500 per maand, zoals belanghebbende die berekend heeft, niet zakelijk zijn gelet op de huur van ƒ 18.000 die D sinds april 2000 betaalt voor een gedeelte van het pand.

4.3. Belanghebbende brengt hier tegen in, dat de huurovereenkomst uit het jaar 1992 tussen belanghebbende en haar echtgenoot nog steeds van toepassing was in het jaar 2001. Dit staat los, zo begrijpt het Hof het standpunt van belanghebbende, van de winst die haar echtgenoot heeft gerealiseerd met de onderverhuur van het pand.

4.4. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de Inspecteur, die betoogt dat de tussen belanghebbende en haar echtgenoot overeengekomen huursom onzakelijk is, zijn standpunt aannemelijk dient te maken.

4.5. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de huurovereenkomst uit het jaar 1992 naar het oordeel van het Hof nog steeds van kracht tussen belanghebbende en haar echtgenoot. Bij dit oordeel weegt het Hof mee dat haar echtgenoot in het jaar 1992 samen met zijn compagnons de huurovereenkomst heeft afgesloten en dat bij het vertrek van de compagnons de rechten en verplichtingen op de echtgenoot zijn overgaan op grond van artikel 19 van de huurovereenkomst. Het object van de overeenkomst is sinds het afsluiten van de huurovereenkomst niet gewijzigd en het gebruik van het object is sinds 1 februari 1999 evenmin gewijzigd. Het feit dat belanghebbende - anders dan door verrekening - geen huurpenningen heeft ontvangen, doet hieraan niet af.

4.6. Belanghebbende stelt, dat de huur ingevolge de huurovereenkomst in het jaar 2001 ƒ 11.500 per maand bedraagt. De Inspecteur heeft deze huursom op zichzelf niet betwist. Wel acht de Inspecteur deze huursom niet zakelijk onder verwijzing naar de vanaf april 2000 geldende huur voor D van ƒ 18.000. Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende gestelde huursom van ƒ 11.500 als zakelijk kan worden aangemerkt, nu de huurovereenkomst in het jaar 1992 tussen derden is afgesloten en een deel van het pand vanaf 1 februari 1999 aan een derde, D, is verhuurd voor ƒ 10.000 per maand. De Inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die hebben geleid tot de huurstijging van ƒ 10.000 naar ƒ 18.000 per maand. Nu uit de stukken van het geding evenmin een verklaring kan worden gevonden voor deze waardestijging, acht het Hof de Inspecteur er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de huursom van ƒ 18.000 - zoals naderhand overeengekomen tussen de onderverhuurder en onderhuurder - als zakelijk heeft te gelden in de verhuursituatie zoals deze zich bij belanghebbende en haar echtgenoot voordeed.

4.7. Op de huur komen in mindering de kosten die zien op de terbeschikkingstelling. Tussen partijen is niet in geschil dat de hypotheekrente en de onderhoudskosten ten laste van het resultaat komen.

4.8. Uit de stukken van het geding blijkt dat de advocaatkosten het onderverhuurgeschil betreffen tussen de echtgenoot en D. Daarmee ontbreekt een verband met de terbeschikkingstelling van het pand door belanghebbende aan haar echtgenoot. Deze kosten kunnen, nu naar het oordeel van het Hof moeten worden uitgegaan van een gescheiden berekening van het resultaat van belanghebbende enerzijds en de berekening van de winst uit onderneming van haar echtgenoot anderzijds, niet in mindering op het resultaat gebracht worden.

4.9. Het Hof stelt het resultaat uit overige werkzaamheden daarom vast op een bedrag van ƒ 72.703 (€ 32.991), zijnde de huur van ƒ 11.500 gedurende negen maanden, verminderd met de hypotheekrente ad ƒ 11.621 en de onderhoudskosten ad ƒ 19.176.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 644 (= 2 punten (beroepschrift en de aanwezigheid ter zitting) * wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak * € 322) voor de kosten in eerste aanleg en € 805 (= 2,5 punten (beroepschrift, conclusie van repliek en de aanwezigheid ter zitting) * wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak * € 322) voor de kosten in hoger beroep.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.991 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.667, onder dienovereenkomstige aanpassing van de berekende heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.449 te vergoeden door de Staat, en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 39 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 107 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 21 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 juli 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.