Home

Gerechtshof Den Haag, 25-06-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1842, BK-18_01113

Gerechtshof Den Haag, 25-06-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1842, BK-18_01113

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2019
Datum publicatie
27 augustus 2019
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2019:1842
Zaaknummer
BK-18_01113

Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking voor het opvragen van gegevens over Zwitserse bankrekening is terecht genomen. Belanghebbende heeft met betrekking tot de E-bankrekening alleen het machtigingsformulier, het openingsformulier, en de economische gerechtigdheidsverklaring niet overgelegd. De informatiebeschikking is dan ook tot het niet overleggen van deze stukken beperkt. Van belanghebbende mag worden verwacht dat hij zich inspant om van de E bank deze stukken alsnog te krijgen als hij die zelf niet meer in zijn bezit heeft. In hoger beroep en beroep heeft belanghebbende geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan hij bij de E bank niet een afschrift van deze stukken zou kunnen opvragen of dat de E bank dergelijke stukken desgevraagd niet zou verstrekken.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01113

in het geding tussen:

(gemachtigde: [B] )

en

(vertegenwoordigers: [A] , [C] en [D]

inzake het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 oktober 2018, nummer SGR 17/8374.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft op 25 oktober 2016 op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) met betrekking tot de voor de jaren 2003 tot en met 2014 aan belanghebbende op te leggen belastingaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een informatiebeschikking gegeven (de beschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2017 heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het volgende beslist:

“- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die ziet op het jaar 2003;

- vernietigt de informatiebeschikking, voor zover deze ziet op het jaar 2003;

- handhaaft de informatiebeschikking voor het overige;

- stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan de Inspecteur de hierna onder 10 genoemde stukken te verstrekken;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 750;

- draagt de Inspecteur op het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel voor het indienen van een antwoord op het incidentele hoger beroep, welk verzoek door het Hof is afgewezen. Belanghebbende heeft geen antwoord op het incidentele hoger beroep ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 juni 2019, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur verschenen. Namens belanghebbende is niemand verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft per faxbericht ontvangen op 18 juni 2019 om 9:39 uur, het Hof bericht vanwege ziekte niet te zullen verschijnen en te refereren aan het oordeel van het Hof. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1958, is gehuwd met [Y] .

2.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2014 geen inkomensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de [E] bank in Zwitserland.

2.3.

De Inspecteur heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de [E] bank in Zwitserland. De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer […] met een saldo op 1 februari 2013 van CHF 259.727 (€ 217.407), op 1 januari 2014 van CHF 252.892 (€ 211.685) en op 31 december 2014 van CHF 4.878 (€ 4.083) ten name van [X] (hierna: [E] -rekening). De Inspecteur heeft belanghebbende als houder van de [E] -rekening geïdentificeerd.

2.4.

Bij brief van 10 februari 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om aan de hand van het formulier “verklaring vermogen in het buitenland” nadere gegevens over de [E] rekening te verstrekken, waaronder de saldigegevens op 1 januari van de jaren 2003 tot en met 2014, alsmede gegevens en bewijsstukken over de herkomst en de besteding van het vermogen van die rekening. De Inspecteur heeft daarbij ook verzocht om andere relevante stukken, zoals het openingsformulier van de bankrekening, alle bankafschriften en alle correspondentie met de bank, aan hem te verstrekken.

2.5.

De gemachtigde heeft voor de beantwoording van de vragenbrief van 10 februari 2016 diverse malen om uitstel gevraagd. Bij brieven van 18 juli 2016, 31 augustus 2016 en 21 september 2016 heeft de Inspecteur de gemachtigde nogmaals verzocht om de gegevens in de vragenbrief van 10 februari 2016 te verstrekken. Nadat een reactie van de zijde van belanghebbende is uitgebleven, heeft de Inspecteur op 25 oktober 2016 de onderhavige informatiebeschikking (de informatiebeschikking) gegeven, waarbij hij om beantwoording van zijn vragenbrief van 10 februari 2016 verzoekt.

2.6.

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase afschriften van “Account Statements” over de jaren 2003 tot en met 2015 en “Statements of Assets” over de jaren 2003 tot en met 2014 van de [E] -rekening, een ongedateerde schriftelijke verklaring van de broer van belanghebbende, [F] (de broer) en een ondertekend - niet ingevuld - formulier “verklaring vermogen in het buitenland” overgelegd. De gemachtigde heeft voor de beantwoording van de vragen in voormeld formulier verwezen naar de overgelegde bescheiden. De verklaring van de broer houdt in dat het geld op de [E] rekening van hem afkomstig is en dat hij - na overboeking van het geld van de [E] rekening naar een Egyptische bankrekening (in internationale valuta) van de echtgenote - het geld van in totaal € 204.500 in de periode september 2014 tot juni 2015 van de echtgenote heeft teruggekregen.

2.7.

Bij brief van 22 maart 2017 heeft de Inspecteur de gemachtigde meegedeeld dat met de overgelegde bescheiden niet alle vragen in het formulier “verklaring vermogen in het buitenland” zijn beantwoord en hem verzocht met betrekking tot de [E] rekening en de Egyptische bankrekening van de echtgenote nadere stukken te overleggen. Ter zake van de [E] rekening heeft de Inspecteur onder meer verzocht om het openingsformulier, het machtigingsformulier en de economische gerechtigheidsverklaring.

2.8.

Bij brief van 25 april 2017 heeft de Inspecteur nogmaals verzocht om voormelde gegevens uit de vragenbrief van 22 maart 2017 te overleggen. Daarbij heeft de Inspecteur verzocht om toestemming voor verlenging van de navorderingstermijn voor de jaren 2003 en 2004 tot drie maanden na ontvangst van alle stukken. Belanghebbende en de echtgenote hebben zich op 3 mei 2017 hiermee akkoord verklaard.

2.9.

De gemachtigde heeft vervolgens op 23 augustus 2017 per e-mail nog een aantal bankafschriften van de Egyptische bankrekening van de echtgenote overgelegd. De Inspecteur heeft bij e-mailbericht van 28 augustus 2017 de gemachtigde erop gewezen dat ter zake van de [E] rekening het openingsformulier, het machtigingsformulier en de economische gerechtigheidsverklaring nog steeds ontbreken. De gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 31 augustus 2017 meegedeeld dat hij alle bankbescheiden heeft overgelegd, waarop de Inspecteur bij e-mailbericht van 20 september 2017 heeft geantwoord dat het openingsformulier, het machtigingsformulier en de economische gerechtigheidsverklaring niet zijn overgelegd. De gemachtigde heeft hierop bij e-mailbericht van 3 oktober 2017 gereageerd en verklaard dat voormelde stukken er niet zijn. Bij brief van 11 oktober 2017 heeft de Inspecteur de gemachtigde voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om voormelde stukken te overleggen. De Inspecteur heeft vervolgens op 2 november 2017 het bezwaar ongegrond verklaard.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

3.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking.

3.4.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep van belanghebbende. In het incidentele hoger beroep heeft hij geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.

Oordeel van de Rechtbank

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing