Home

Gerechtshof Den Haag, 09-10-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2811, BK-17/00885

Gerechtshof Den Haag, 09-10-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2811, BK-17/00885

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
9 oktober 2019
Datum publicatie
30 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2019:2811
Zaaknummer
BK-17/00885

Inhoudsindicatie

Hof Den Haag verwerpt een verzoek van belanghebbende om beeld- en geluidsopnamen van de zitting te mogen maken. Het Hof oordeelt verder dat op belanghebbende als inwoner van Nederland de Nederlandse wetgeving, waaronder voorschriften inzake belastingheffing, van toepassing is, ongeacht of hij zich ermee kan verenigen dat hij in die wetgeving als natuurlijk persoon wordt aangeduid. Evenmin kan belanghebbende zich met een beroep op diverse internationale verdragen onttrekken aan het betalen van IB/PVV. Het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-17/00885

in het geding tussen:

(gemachtigde: [A] )

en

(vertegenwoordiger: [B] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 oktober 2017, nummer SGR 17/1474.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.074 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 162. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 33 aan belastingrente in rekening gebracht, alsmede een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een stuk met het opschrift "verweerschrift" ingediend. Dat stuk is, gelet op het moment waarop het is ingediend, aangemerkt als een stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbende heeft op 19 januari 2018 een nader stuk, met zes bijlagen, ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij fax van 26 april 2018 verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting wegens verhindering in verband met vakantie. Het uitstelverzoek is door het Hof ingewilligd.

1.6.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend op respectievelijk 26 april 2018 (fax met vijf bijlagen), 27 augustus 2018 (onleesbare fax) en 3 september 2018 (deels onleesbare fax).

1.7.

In het nader stuk van belanghebbende van 3 september 2018, alsmede bij e-mailberichten van 3 september 2018 (een e-mail om 13:10 uur en een e-mail om 17:27, beide namens [C] ) en 4 september 2018 (een e-mail om 3:46 uur van belanghebbende) is verzocht om beeld- en geluidopnames te mogen maken van de mondelinge behandeling van de zaak, welk verzoek door het Hof is afgewezen.

1.8.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 september 2018. Partijen zijn verschenen. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst in verband met een door belanghebbende ter zitting ingediend wrakingsverzoek. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 6 september 2018 aan partijen is verzonden.

1.9.

Belanghebbende heeft bij fax van 10 september 2018 een reactie op het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2018 aan het Hof gestuurd met een verzoek het proces-verbaal op twee punten aan te passen. Hij heeft daarbij een eigen verslag van de zitting gevoegd.

1.10.1.

Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag van 12 september 2018 is het wrakingsverzoek ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van 29 november 2018 heeft belanghebbende een verzoek tot wraking van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam ingediend (het tweede wrakingsverzoek). Dit verzoek is door een tweede wrakingskamer van dat hof behandeld ter zitting van 7 maart 2019. Toen is ook ten aanzien van deze wrakingskamer een wrakingsverzoek (het derde wrakingsverzoek) ingediend, dat – na onderbreking van de mondelinge behandeling – buiten behandeling is gelaten. Bij beslissing van 21 maart 2019 is het tweede wrakingsverzoek afgewezen. De mondelinge behandeling van het (eerste) wrakingsverzoek heeft vervolgens – in verband met de gezondheid van belanghebbende en vakantie van diens gemachtigde – plaatsgehad ter zitting van 23 juli 2019. Belanghebbende heeft tijdens de zitting wederom een verzoek tot wraking ingediend (het vierde wrakingsverzoek). Dit verzoek is – na onderbreking van de mondelinge behandeling – buiten behandeling gelaten.

1.10.2.

Bij beslissing van 6 augustus 2019 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam het door belanghebbende ingediende wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend verzoek tot wraking op deze wrakingsgronden met betrekking tot de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.

1.11.1.

Het Hof heeft bij brief met dagtekening van 2 september 2019 partijen in de gelegenheid gesteld uiterlijk 13 september 2019 te verklaren of zij gebruik willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord, en zo ja, daarbij tevens verhinderdata door te geven aan het Hof.

1.11.2.

De Inspecteur heeft bij brief van 4 september 2019, ontvangen door het Hof op 9 september 2019, laten weten geen gebruik te maken van het recht nader gehoord te worden op zitting.

1.11.3.

Belanghebbende heeft op de brief van het Hof gereageerd bij brief van 9 september 2019, ontvangen door het Hof op 11 september 2019. Uit deze brief blijkt niet dat belanghebbende prijs stelt op een nadere mondelinge behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep. Evenmin heeft belanghebbende verhinderdata doorgegeven. Het Hof leest in de hiervoor bedoelde brief dan ook geen verklaring dat belanghebbende gebruik wenst maken van het recht ter nadere zitting te worden gehoord.

1.11.4.

Het Hof heeft daarop bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

1.12.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en de uitspraakdatum aangezegd.

Vaststaande feiten

2. Het Hof gaat uit van de door de Rechtbank vastgestelde, in hoger beroep niet betwiste, feiten:

"1.Volgens de inschrijving in de Basis Registratie Personen woont [belanghebbende], geboren [in] 1955, sinds 1 maart 2006 op het adres [D] te [E] (Zuid Holland). Vanaf 13 augustus 2015 is postbus […] te ( [Z] als verplicht toezendadres geregistreerd.

2. Aan [belanghebbende] is een uitnodiging gedaan tot het doen van aangifte IB/PVV 2014. Ter zake van het niet tijdig hebben ingediend van die aangifte is aan [belanghebbende] op 16 juni 2015 een herinnering en vervolgens op 22 september 2015 een aanmaning toegezonden.

3. Omdat [belanghebbende] niet op die aanmaning heeft gereageerd, is met dagtekening 10 juni 2016 aan hem een ambtshalve aanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning, vermeerderd met het inkomen uit sparen en beleggen van € 36.236 (de aanslag). Gelijktijdig is aan [belanghebbende] bij beschikkingen een verzuimboete van € 369 opgelegd en is € 33 aan belastingrente in rekening gebracht."

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt overwogen:

"7. Naar de rechtbank begrijpt beoogt [belanghebbende] te stellen dat hij ten onrechte in persoon in de aanslagregeling is betrokken. In het Nederlandse recht bestaan twee verschillende personen: de natuurlijke personen en de rechtspersonen.

Mensen zijn natuurlijke personen. Wat hierover ten aanzien van [belanghebbende], ter toelichting en informatie, is uiteengezet in het verweerschrift, wordt volledig onderschreven.

8. [Belanghebbende] is dus een natuurlijk persoon. [Belanghebbende] woont in Nederland. Hij is dus ingezetene van Nederland. Wat [belanghebbende] daarover heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen enkele grond voor het oordeel dat de aanslag ten onrechte op naam van [belanghebbende] in persoon is opgelegd.

9. Wat [belanghebbende] in dat verband verder nog heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

10. [Belanghebbende] is daarom alhier belastingplichtig. De omstandigheid dat [belanghebbende], naar hij stelt, lid is van een organisatie en meer in het bijzonder, naar de rechtbank [belanghebbende] begrijpt, van een kerkgenootschap, leidt niet tot een uitzondering op de belastingplicht van [belanghebbende] in persoon.

11. De rechtbank heeft geen feitelijke of juridische aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanslag ten onrechte ambtshalve is opgelegd of tot een te hoog bedrag is opgelegd.

12. [De Inspecteur] heeft de hoogte van de verzuimboete gemotiveerd uiteengezet in het verweerschrift, waaronder de vermelding dat [belanghebbende] ook geen aangifte IB/PVV 2012 en 2013 heeft ingediend en dat dus sprake is van een derde opeenvolgend verzuim. [Belanghebbende] heeft een en ander niet weersproken.

13. De rechtbank acht daarom de verzuimboete passend en geboden.

14. [Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of tot een te hoog bedrag is berekend.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing