Home

Gerechtshof Den Haag, 29-06-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1167, BK-21/00618

Gerechtshof Den Haag, 29-06-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1167, BK-21/00618

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1167
Zaaknummer
BK-21/00618

Inhoudsindicatie

Artikel 22bis lid 11 Invorderingswet 1990; beschikking executiewaarde; artikel 22bis lid 2 Invorderingswet 1990; mededelingsplicht; bodemrecht; verschil financial lease operational lease; reëel eigendom; leaseregeling; leaseovereenkomsten zijn bepaalbaar; levensduur en restwaarde machines toereikend; geen afdekking restwaarderisico volgens besluit vragen en antwoorden inzake leaseregeling; geen bedrijfsinmenging; ontbrekende op de zaak betrekking hebbende stukken; hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding gerechtvaardigd wegens onwelwillende proceshouding Ontvanger.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00618

in het geding tussen:

(gemachtigde: F.R. Herreveld)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 juni 2021, nummer SGR 20/1533.

Procesverloop

1.1.

De Ontvanger heeft aan belanghebbende een beschikking executiewaarde als bedoeld in artikel 22bis, lid 11, van de Invorderingswet 1990 (IW) opgelegd (de beschikking) waarin mede de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 22bis, lid 12, IW is vastgesteld ter zake van onbetaald gebleven naheffingsaanslagen in de loonheffingen en de omzetbelasting van [A B.V.] .

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Dit bezwaar is door de Ontvanger ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 354 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht van € 541 geheven. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 november 2021 en op 4 mei 2022 nadere stukken ingediend. De Ontvanger heeft op 9 mei 2022 een nader stuk ingediend. Partijen hebben van elkaars stukken tijdig kennis kunnen nemen.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 mei 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Sinds 2010 is de heer [B] enig bestuurder van belanghebbende. Sinds 2008 is [B] enig bestuurder van de vennootschap [C B.V.] Deze vennootschap is sinds de oprichting van [A B.V.] in 2012, enig bestuurder van [A B.V.] .

2.2.

[A B.V.] maakte voor haar activiteiten gebruik van machines die op grond van leaseovereenkomsten door belanghebbende (in de hoedanigheid van lessor) aan [A B.V.] (in de hoedanigheid van lessee) ter beschikking werden gesteld.

2.3.

In totaal had [A B.V.] de beschikking over 47 machines, met een totale aanschafwaarde van € 4.806.987,50.

2.4.

De machines stonden ter beschikking aan [A B.V.] op basis van gelijkluidende leaseovereenkomsten. In deze leaseovereenkomsten is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 1. Lease:

1. Lessor geeft hierbij het in dit lid omschreven object ten titel van huur aan de lessee in lease die dit van de lessor in lease aanneemt.

(…)

Artikel 2. Leaseperiode / prijs:

Artikel 3. Eigendom:

Artikel 5. Gebruik:

Artikel 6. Onderhoud / Verzekering:

Artikel 9. Schade / Kosten:

Artikel 10. Teruggave:

Oordeel van de Rechtbank

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing