Home

Gerechtshof Den Haag, 25-01-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:74, BK-21/00322

Gerechtshof Den Haag, 25-01-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:74, BK-21/00322

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:74
Zaaknummer
BK-21/00322

Inhoudsindicatie

Art. 7, lid 4, Awb.

Uitnodiging voor hoorzitting op relatief korte termijn. Gemachtigde van belangh. verschijnt niet omdat hij vindt dat de uitnodiging niet aan de eisen voldoet. Geen valabele reden om niet te verschijnen. Daaraan doet niet af dat hij een geldelijk belang heeft om niet te verschijnen, namelijk uitstel van de uitspraak op bezwaar en aanspraak op een dwangsom. Geen verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. De stukken lagen tenminste een week voor de hoorzitting ter inzage.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00322

in het geding tussen:

(gemachtigde: P.R. Autar)

en

(vertegenwoordigd door: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 1 april 2021, nummer ROT 20/1020, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende met dagtekening 29 maart 2019 voor het jaar 2018 een aanslag in de reclamebelasting van de gemeente Rotterdam (de aanslag) opgelegd, berekend naar een heffingsmaatstaf van 101 m2. Het bedrag van de aanslag is € 3.699,10.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij brief van 2 januari 2020 heeft gemachtigde de Heffingsambtenaar schriftelijk in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 januari 2020 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een heffingsmaatstaf van 77 m2 en aan belanghebbende voor de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken een vergoeding van € 261 toegekend. Voorts heeft de Heffingsambtenaar in uitspraak op bezwaar aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen dwangsombeschikking vaststelt omdat er binnen 14 dagen na het indienen van de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar is gedaan.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Van belanghebbende is een griffierecht van € 354 geheven.

1.6.

De Rechtbank heeft het beroep bij haar eerder genoemde uitspraak ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 541 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 november 2021 een nader stuk ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2021 te Den Haag. Partijen zijn daar verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is gezonden.

Feiten

2.1.

De aanslag is opgelegd voor het hebben van reclame-uitingen bevestigd aan de vestiging van belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende heeft op 3 april 2019 pro forma bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaarschrift luidt als volgt:

“Middels dit bezwaarschrift stelt ondergetekende namens [belanghebbende] pro-forma bezwaar in tegen de [aanslag]. Voorlopige grond van het bezwaar. Aanslag is te hoog.

Wij verzoeken u om:

1. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden;

2. Ons te horen voordat u een beslissing op het bezwaar neemt;

3. Proceskosten te vergoeden;

4. Ons een nadere termijn van 6 weken te gunnen om de gronden van het bezwaar in te dienen.

5. Uitstel van betaling voor de aanslag te verlenen.”

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift naar belanghebbende gestuurd.

2.4.

Bij brief van 2 januari 2020 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op haar bezwaar.

2.5.

Bij brief van 8 januari 2020 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende uitgenodigd voor een hoorzitting. De brief vermeldt het volgende:

“(…)

In het bezwaarschrift heeft u aangegeven dat u gehoord wil worden. U wordt in de gelegenheid gesteld om eventueel zowel aanvullende gronden alsook het bezwaar mondeling toe te lichten.

Hierbij nodig ik u dan ook uit voor een hoorzitting op:

Datum: maandag 14 januari 2020

Tijd: 11:30 uur.

Locatie: [adres] , te [woonplaats]

Datum: donderdag 16 januari 2020

Oordeel van de Rechtbank

Geschil en standpunten van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing