Home

Gerechtshof Den Haag, 13-01-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:9, BK-21/00360

Gerechtshof Den Haag, 13-01-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:9, BK-21/00360

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:9
Zaaknummer
BK-21/00360

Inhoudsindicatie

Artikel 13bis Wet LB 1964; privégebruik auto. Belanghebbende en zijn echtgenote werken voor dezelfde werkgever, die een auto feitelijk aan belanghebbende en – tot aan haar overlijden – zijn echtgenote ter beschikking heeft gesteld. Dat betekent dat de bijtelling voor privégebruik in redelijkheid moet worden verdeeld en de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbendes beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Ten overvloede overweegt het Hof dat een beleidsmatige en categorische uitsluiting van de hardheidsclausule zich niet verhoudt met de van de staatssecretaris van Financiën gevraagde zorgvuldigheid bij het voorbereiden van besluiten.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00360

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 april 2021, nummer SGR 20/3903.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen (de naheffingsaanslag) opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 48. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

"De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- bepaalt deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden."

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2021.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 november 2021. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende en wijlen zijn echtgenote [A] (de echtgenote) waren in 2019 beiden in loondienst bij [B] B.V. (de werkgever).

2.2.

De werkgever heeft aan belanghebbende van 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019 een personenauto ter beschikking gesteld, zijnde een Volkswagen Up met kenteken [kenteken 1] (auto 1). De catalogusprijs van auto 1 bedraagt € 13.286. Belanghebbende beschikte van 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019 over een "verklaring geen privégebruik". Belanghebbende heeft een rittenregistratie bijgehouden.

2.3.

Aan de echtgenote is door de werkgever ook een personenauto ter beschikking gesteld, zijnde een Hyundai i30 met kenteken [kenteken 2] (auto 2). Auto 2 werd voor zowel zakelijke als privédoeleinden gebruikt. De werkgever heeft van 1 januari 2019 tot en met 25 juli 2019 de bijtelling privégebruik auto toegepast op het loon van de echtgenote.

2.4.

De echtgenote is op [dag] juli 2019 overleden. In overleg met belanghebbende heeft de werkgever auto 1 op 31 juli 2019 ingenomen en is auto 2 vanaf 1 augustus 2019 aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Belanghebbende heeft auto 2 voor zowel zakelijke als privédoeleinden gebruikt. De werkgever heeft van 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 de bijtelling privégebruik auto toegepast op het loon van belanghebbende.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 augustus 2019 de Inspecteur het volgende verzocht:

"(…)

Ik wil vragen, gelet op de bijzondere situatie die ons is overkomen, toe te staan dat ik vanaf 1 augustus 2019 bijtelling betaal over [auto 2] (die tot het overlijden van mijn vrouw aan haar ter beschikking gesteld was). En dat deze bijtelling vanaf augustus 2019 geen consequenties heeft voor het eerdere gebruik van [auto 1] door mij.

(…)"

2.6.

De Inspecteur heeft hierop bij brief van 4 september 2019 als volgt gereageerd:

"(…)De bijtelling voor privégebruik van de auto op grond van artikel 13bis van de Wet LB kan slechts achterwege worden gelaten wanneer blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Om in uw situatie de bijtelling achterwege te mogen laten in het kalenderjaar 2019 moet u kunnen aantonen dat u van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 niet meer dan 500 kilometer privé hebt gereden met de aan u ter beschikking gestelde auto's.

De bijtelling van artikel 13bis van de wet LB is een forfaitaire regeling, bij de toepassing van dit artikel is derhalve geen ruimte om rekening te houden met de specifieke persoonlijke omstandigheden van een individuele werknemer. Indien u de rittenregistratie vanaf 1 augustus 2019 niet waterdicht kunt reconstrueren en/of al meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gereden zal de werkgever het privégebruik auto voor het gehele kalenderjaar 2019 tot het loon moeten rekenen.

Uit onze administratie blijkt dat u de Verklaring geen privégebruik auto nog niet heeft ingetrokken. U wordt geacht de verklaring digitaal in te trekken aangezien u meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden gaat rijden met de door de werkgever ter beschikking gestelde auto(‘s) (…)"

2.7.

Op 8 september 2019 heeft belanghebbende de "verklaring geen privégebruik" met ingang van 1 augustus 2019 ingetrokken. Als reden voor de intrekking is opgegeven: "Ik heb geen (bestel)auto meer tot mijn beschikking".

2.8.

Met dagtekening 4 februari 2020 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd ter zake van het privégebruik van auto 1 door belanghebbende over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019. De Inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een bijtellingspercentage van 22% en de cataloguswaarde van auto 1 (€ 13.286). Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 1.141.

2.9.

De Inspecteur heeft in hoger beroep een brief van 10 juni 2020 van de staatssecretaris van Financiën overgelegd. Deze brief betreft de reactie van de staatssecretaris op het verzoek van belanghebbende tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inhoud van deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Beslissing

Aan uw verzoek kan ik niet tegemoetkomen. Dit licht ik hierna toe.

Toelichting

De wet kent een speciale bevoegdheid, de zogenoemde hardheidsclausule (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De wet staat toepassing van de hardheidsclausule uitsluitend toe in zeer uitzonderlijke gevallen. De hardheidsclausule kan alleen worden toegepast bij een "onbillijkheid van overwegende aard". Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. In de situatie die u in uw brief beschrijft, is de hardheidsclausule niet van toepassing.

Het is mijn vaste beleid dat ik verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule afwijs met betrekking tot de regeling voor privégebruik met een auto van de zaak (zie onderdeel 5.4. van het beleidsbesluit van 20 maart 2015, nr. nr. BLKB2015- 0188M, Stcrt. 2015, 8385).

Het komt voor dat toepassing van de wettelijke bepalingen gevolgen heeft die om persoonlijke redenen als een hardheid worden ervaren. Voor deze situatie is de hardheidsclausule echter niet bedoeld. De belastingwetgeving kan in zo’n situatie geen oplossing bieden.

Ik begrijp dat u liever een positief antwoord had ontvangen. Zoals hiervoor is toegelicht, is dat niet mogelijk."

Oordeel van de Rechtbank

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing