Home

Gerechtshof Den Haag, 25-05-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:907, BK-21/00850

Gerechtshof Den Haag, 25-05-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:907, BK-21/00850

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 mei 2022
Datum publicatie
1 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:907
Zaaknummer
BK-21/00850

Inhoudsindicatie

Artt. 4:18, 4:19, 7:15 en 8:75 Awb. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ingebrekestelling vanwege uitblijven beslissing op bezwaar. Toekenning dwangsom. In beroepsprocedure tegen de naheffingsaanslag kunnen ook de bezwaren tegen de hoogte van de dwangsom worden meegenomen. Proceskostenvergoeding voor het bezwaar tegen de dwangsombeschikking en vergoeding van proceskosten hoger beroep. Wegingsfactor 0,5.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00850

in het geding tussen:

(gemachtigde: F.R. Eggink)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 augustus 2021, nummer SGR 21/912.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 7 juli 2020 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Delft opgelegd.

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven. Verder is de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 748 en is hem opgedragen het griffierecht van € 49 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.

1.5.

Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij brief van 20 januari 2022 bericht dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van de brief het Hof laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Vaststaande feiten

2.1.

Op 4 juli 2020 om 21:55 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de [adres] te [woonplaats] . Omdat er voor het parkeren van de auto geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag ten bedrage van € 64,20 opgelegd (de naheffingsaanslag), bestaande uit € 3,20 parkeerbelasting en € 61 kosten van het opleggen van de naheffingsaanslag.

2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 juli 2020, gevoegd bij een e-mailbericht van dezelfde datum, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en tevens met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzocht een aantal documenten te verstrekken. De Gemeentedirecteur heeft namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft op 21 juli 2020 het WOB-verzoek beantwoord.

2.3.

Bij e-mailbericht van 3 januari 2021 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar en de Heffingsambtenaar verzocht om alsnog binnen twee weken op het bezwaar te beslissen.

2.4.

Bij e-mailbericht van 13 januari 2021 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende medegedeeld dat hij het e-mailbericht van 13 juli 2020 niet heeft opgevat als een bezwaarschrift, maar slechts als een WOB-verzoek waarop reeds een reactie is gegeven. Indien het e-mailbericht van 13 juli 2020 tevens als bezwaarschrift heeft te gelden, verzoekt de Heffingsambtenaar belanghebbende om het bezwaar binnen veertien dagen nader te motiveren. Verder heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende verzocht om aan te geven of hij nog gehoord wil worden op het bezwaar.

2.5.

Bij e-mailbericht van 17 januari 2021 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar ingediend.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2021 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is gehandhaafd en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

2.7.

Bij e-mailbericht van 28 januari 2021 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende bericht een dwangsom toe te kennen van € 69, te weten 3 dagen x € 23 (de dwangsombeschikking). Op dezelfde dag heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat in plaats van drie dagen, negen dagen in aanmerking genomen moeten worden. Tevens heeft hij daarbij verzocht om vergoeding van proceskosten. Bij e-mailbericht van 26 april 2021 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar verzocht het bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking met voortvarendheid te behandelen.

2.8.

Bij brief van 11 mei 2021 heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende bericht:

Besluit toekenning dwangsom

Hierbij het formele besluit om de dwangsom voor bovengenoemde 2 zaken vast te stellen op 9 dagen x 23 euro = 207 euro.

(…)

BEROEP

Bent u het niet eens met dit besluit? U kunt een beroepschrift sturen aan de Rechtbank Den Haag, (…)”

2.9.

Bij e-mailbericht van 11 mei 2021 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar geschreven dat de Heffingsambtenaar bij zijn besluit van 11 mei 2021 is vergeten om een vergoeding voor proceskosten toe te kennen. Dit heeft belanghebbende herhaald in zijne-mailbericht van 17 mei 2021. In reactie hierop heeft de Heffingsambtenaar te kennen gegeven dat belanghebbende niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt. Als al sprake zou zijn van een proceskostenvergoeding zou dit volgens de Heffingsambtenaar een lager bedrag zijn dan waarom belanghebbende verzoekt.

2.10.

In zijn aanvulling op het beroepschrift van 4 juni 2021 betreffende de naheffingsaanslag heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht om tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de kosten van de bezwaarprocedure tegen de dwangsombeschikking. Het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank vermeldt daarover het volgende:

“[Belanghebbende] verklaart, al dan niet op vragen van de rechtbank, het volgende:

- Het geschil met [de Heffingsambtenaar] inzake de dwangsom moet worden gevoegd bij de hoofdzaak. In andere zaken gebeurt dat ook.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“ 7. Eiser heeft de rechtbank op 4 juni 2021 verzocht om in onderhavige procedure tevens te oordelen over de vraag of verweerder het juiste bedrag aan door eiser gemaakte proceskosten heeft vergoed in de procedure van zijn bezwaar tegen de door verweerder aan hem toegekende dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de dwangsom een zelfstandige beroepsmogelijkheid openstaat. Deze kwestie wordt daarom niet als geschilpunt van onderhavig beroep behandeld.

(…)

9. In geschil is of verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Daarnaast is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

10. De rechtbank stelt voorop dat het hoorrecht een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure is. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan verweerder slechts in een beperkt aantal gevallen afzien van het horen.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser, ondanks zijn verzoek daartoe in zijn (pro forma) bezwaarschrift van 13 juli 2020, niet is gehoord. De vraag is of hiermee de hoorplicht is geschonden.

12. Naar aanleiding van de ingebrekestelling van 3 januari 2021 heeft verweerder op 13 januari 2021 zonder succes getracht de gemachtigde van eiser telefonisch te bereiken. Op diezelfde dag heeft verweerder door middel van een e-mail de gemachtigde verzocht om binnen twee weken het bezwaar te motiveren nu voor dat bezwaar nog geen gronden waren aangevoerd. In diezelfde e-mail is ook de volgende zin opgenomen: "Wanneer u vooraf aan mijn besluit nog gehoord wil worden verneem ik graag zo spoedig mogelijk wanneer u in de gelegenheid bent dat ik u kan bellen." In reactie op deze e-mail heeft de gemachtigde bij email van 17 januari 2021 de gronden van bezwaar verstrekt.

13. Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet voldaan heeft aan de hoorplicht. Uit de e-mail van verweerder van 13 januari 2021 blijkt weliswaar duidelijk dat eiser nog kon worden gehoord voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar, maar uit de omstandigheid dat eiser er vervolgens geen enkele blijk van heeft gegeven nog gehoord te willen worden mocht verweerder volgens vaste jurisprudentie niet afleiden dat eiser (stilzwijgend) afstand deed van het recht om te worden gehoord nu eiser reeds in zijn bezwaarschrift te kennen had gegeven van dat recht gebruik te willen maken.[1] In dit geval is dan ook sprake van een schending van de hoorplicht.

14. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en beoordelen of de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand kunnen blijven. Eiser heeft verzocht om terugverwijzing naar verweerder, maar nu eiser zowel in beroep als ter zitting zijn standpunten heeft kunnen verdedigen, oordeelt de rechtbank dat hij niet in zijn belangen is geschaad.

15. Eiser bepleit dat het op de locatie onvoldoende kenbaar was dat aldaar sprake is van betaald parkeren.

16. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, dient zodanig kenbaar te zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften, komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.[2]

17. Verweerder heeft foto's overgelegd waarop de geparkeerde auto van eiser en de in de nabijheid daarvan aanwezige (parkeer)bebording te zien zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze foto's en zijn toelichting daarop aannemelijk gemaakt dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse voldoende kenbaar was. Gelet op de hiervoor genoemde onderzoeksplicht, is het missen van de aanwezige en vanaf de parkeerplaats van de auto duidelijk zichtbare bebording, een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser moet blijven. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en letter a, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in de beroepsfase gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5 (licht omdat het beroep enkel gegrond is wegens schending van de hoorplicht)). Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is geen aanleiding omdat het bezwaar inhoudelijk ongegrond is.

(…)

[1] Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

[2] Gerechtshof Den Haag van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2020.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het geschil

Proceskosten en griffierecht

Beslissing