Home

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:203, BK-22/850

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:203, BK-22/850

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
9 januari 2024
Datum publicatie
7 maart 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:203
Zaaknummer
BK-22/850
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 110 VWEU, Art. 7:15 Awb, Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

Art. 10, leden 1, 2 en 8, Wet Bpm. Art. 8:75 Awb. Waardecorrectie wegens schade. Proceskosten bezwaar. Belanghebbende heeft niet aan de op hem rustende bewijslast met betrekking tot de schade aan de auto voldaan. De diverse innameprotocollen van leasemaatschappijen en/of verhuurbedrijven vormen geen beleid van de Belastingdienst. Verder heeft de Rechtbank terecht geen proceskosten voor de bezwaarfase toegekend.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/850

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 2 augustus 2022, nummer SGR 21/1283.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.399. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 69 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag Bpm (de naheffingsaanslag) en de rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 178. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

verlaagt de naheffingsaanslag tot € 2.969 en verlaagt de rentebeschikking dienovereenkomstig;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 465;

-

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 535;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518;

-

draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 178 aan hem te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 november 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 2 oktober 2018 heeft belanghebbende een aangifte Bpm ingediend voor een Volkswagen Tiguan 2.0 TDI Sport & Style 4Motion, met een datum eerste toelating 24 juni 2014 (de auto).

2.2.

Belanghebbende heeft de auto blijkens een tot de stukken van het geding behorende aankoopfactuur op 10 september 2018 gekocht in Duitsland voor een aankoopprijs van € 11.800 exclusief btw. Op de aankoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade aan de auto.

2.3.1.

In de aangifte Bpm is een te betalen Bpm van € 883 vermeld. Uit de stukken van het geding blijkt dat een bedrag van € 882 is voldaan. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van 13 september 2018 van [A B.V.] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat op 12 september 2018 een taxatie is uitgevoerd van de auto. De taxateur heeft de historische nieuwprijs op € 53.262 gesteld. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur vastgesteld aan de hand van marktonderzoek naar referentievoertuigen en vastgesteld op € 14.300 (rekening houdend met een handelsmarge van 35%). De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 11.598,31 (reparatiekosten) vastgesteld en heeft hiervan een bedrag van € 11.300 (97,43%) in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 3.000.

2.3.2.

In het taxatierapport heeft de taxateur voor de toestand van het voertuig onder meer de volgende kwalificaties opgenomen:

“Toestand bovenstaand voertuig:

Technisch: Redelijk

Onderstel: Goed

Carrosserie: Redelijk

Interieur: Goed

(…)”

2.4.

De dienst Domeinen Roerende zaken van het ministerie van Financiën (DRZ) heeft een onderzoek waardebepaling ten aanzien van de auto uitgevoerd. Op 9 oktober 2018 heeft belanghebbende de auto voor controle getoond aan DRZ. Van de controle is een rapport opgemaakt, dat is ondertekend door [naam taxateur] op 12 oktober 2018. In dit DRZ-rapport (rapport onderzoek waardebepaling) zijn vermeld een historische nieuwprijs van € 53.894, een netto-catalogusprijs van € 33.064 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 14.721 (op basis van de koerslijst XRay Marge). DRZ heeft geen bedrag in mindering gebracht in verband met schade, waardoor de handelsinkoopwaarde is vastgesteld op € 14.721. Bij het onderzoek waardebepaling is de beoordelaar van DRZ uitgegaan van het zogenoemde “SilverDAT VIN-informatie Rapport” van de auto, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort.

2.5.

In de beroepsfase heeft de Inspecteur, naar aanleiding van de niet gemotiveerde beroepsgrond dat de historische nieuwprijs niet juist door de Inspecteur is vastgesteld, te kennen gegeven dat de berekening van de historische nieuwprijs van de auto op basis van de koerslijst AutotelexPro uitkomt op € 55.683, uitgaande van een CO2-uitstoot van de auto van 162 gram per kilometer in plaats van de 153 gram per kilometer (met historische nieuwprijs van € 53.894) waarvan bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan.

2.6.

In de beroepsfase heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s met bijbehorende toepassing van de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’. Dit verzoek is door de Inspecteur in de beroepsfase gehonoreerd en de Rechtbank heeft de naheffingsaanslag vervolgens bij haar uitspraak verminderd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Historische nieuwprijs

8. Verweerder heeft gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto moet worden verhoogd tot € 55.683, uitgaande van de CO2-uitstoot van de auto van 162 gram per kilometer. Nu die stelling door eiser niet is weersproken neemt de rechtbank aan dat tussen partijen niet in geschil is dat van die historische nieuwprijs moet worden uitgegaan.

Schade

9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van een auto, rust op eiser. [1] Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat er schade aanwezig was. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet aangetroffen door DRZ. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over DRZ volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat dit enkel het gevolg is van de ondeskundigheid van de taxateur van DRZ en de door DRZ gevolgde handelwijze.

10. Ter zitting heeft eiser ter onderbouwing van zijn stelling dat verweerder ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen, verwezen naar de door DRZ gemaakte foto’s van de auto. De rechtbank heeft de foto’s van DRZ goed bekeken, maar kan aan de hand van die foto’s niet vaststellen of de door eiser genoemde beschadigingen aanwezig waren. Zo die beschadigingen op de foto’s al waarneembaar zijn, kan uit de foto’s niet worden opgemaakt dat deze als meer dan normale gebruiksschade moeten worden beschouwd.

11. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het innameprotocol van Connect Autolease. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beleid van de Belastingdienst om dit protocol als leidraad te hanteren voor het bepalen van normale slijtage en gebruikssporen en andere schade in het kader van de Bpm.

12. Gelet op het voorgaande is eiser niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs. Verweerder heeft dan ook terecht geen schade in aanmerking genomen.

Conclusie naheffingsaanslag

13. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 55.683, een handelsinkoopwaarde van € 13.685 en een bruto Bpm van € 15.676, bedraagt de verschuldigde Bpm € 3.851. Gelet op het door eiser reeds op aangifte voldane bedrag van € 882, is eiser per saldo nog een bedrag van € 2.969 aan Bpm verschuldigd.

14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de naheffingsaanslag verminderen tot € 2.969.

Belastingrente

15. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de rentebeschikking te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.

Immateriële schade

(…)

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 759 [3] en een wegingsfactor 1). Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is geen aanleiding nu het beroep uitsluitend gegrond is verklaard voor wat betreft verhoging van de historische nieuwprijs als gevolg van het hanteren van een hogere CO2-uitstoot en verlaging van de handelsinkoopwaarde als gevolg van toepassing van de koerslijst van EurotaxGlass’s inclusief de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ en dit in bezwaar niet aan de orde is gesteld.

[1] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2.

(…)

[3] Vgl. ECLI:NL:HR:2022:752.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing