Home

Gerechtshof Den Haag, 19-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:462, BK-23/601 en BK-23/602

Gerechtshof Den Haag, 19-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:462, BK-23/601 en BK-23/602

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19 maart 2024
Datum publicatie
29 april 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:462
Zaaknummer
BK-23/601 en BK-23/602
Relevante informatie
Art. 6.1 Wet IB 2001, Art. 6.3 Wet IB 2001, Art. 6.17 Wet IB 2001, Art. 6.18 Wet IB 2001, Art. 3.146 Wet IB 2001, Art. 3.154 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Wet IB 2001. Uitgaven onderhoudsverplichting. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van kosten voor onderhoudsverplichtingen.

Specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten.

De nabetaling van het pensioenfonds mag door de Inspecteur in 2018 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende worden gerekend.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-23/601 en BK-23/602

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juni 2023, nummers SGR 21/2471 en SGR 21/2486.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.043 (de navorderingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende € 133 belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.282 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende € 318 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag 2017, de aanslag 2018 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van éénmaal € 49 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van éénmaal € 136 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is sinds [datum] 2017 gehuwd. Zijn echtgenote was in 2017 en 2018 woonachtig in Marokko.

2.2.1.

Op 4 maart 2018 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.699. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 2.000 aan kosten ter zake van onderhoudsverplichtingen en een bedrag van € 2.344 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. De aanslag IB/PVV 2017 is met dagtekening 2 juli 2019 conform de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.699.

2.2.2.

In de aangifte zijn de volgende specifieke zorgkosten vermeld:

Specifieke zorgkosten

Bedrag

Kosten medicijnen

€ 450

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 380

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 450

Genees- en heelkundige hulp

€ 800

Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging

€ 2.080

Bij: Verhoging specifieke zorgkosten

€ 512

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 2.592

Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

€ 248

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

€ 2.344

2.3.1.

Op 13 maart 2019 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.185. Hij heeft hierin een uitkering van het UWV van € 15.212 aangegeven en € 1.200 aan kosten ter zake van onderhoudsverplichtingen, € 1.827 aan specifieke zorgkosten en een restant persoonsgebonden aftrek van € 10.000 in aanmerking genomen.

2.3.2.

In de aangifte zijn de volgende specifieke zorgkosten vermeld:

Specifieke zorgkosten

Bedrag

Kosten medicijnen

€ 225

Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 138

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 500

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 120

Genees- en heelkundige hulp

€ 500

Reiskosten ziekenbezoek

€ 200

Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging

€ 1.683

Bij: Verhoging specifieke zorgkosten

€ 394

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 2.077

Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

€ 250

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

€ 1.827

2.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 12 juni 2020 meegedeeld dat hij zal afwijken van de aangifte IB/PVV 2018 omdat belanghebbende een nabetaling arbeidsongeschiktheidspensioen van [Pensioenfonds] ten bedrage van € 46.070, waarop € 16.821 aan loonheffing is ingehouden, niet heeft aangegeven en omdat hij geen bewijsstukken heeft ontvangen ter onderbouwing van de aftrekposten. In deze brief heeft de Inspecteur tevens gevraagd om ook voor het jaar 2017 de betalingsbewijzen van de betaalde alimentatie en de nota’s, betalingsbewijzen en de vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van de specifieke zorgkosten toe te zenden.

2.5.

Omdat de Inspecteur geen reactie heeft ontvangen, heeft hij daarom ook voor het jaar 2017 de door belanghebbende afgetrokken kosten ter zake van onderhoudsverplichtingen en specifieke zorgkosten niet geaccepteerd en met dagtekening 17 oktober 2020 de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.043.

2.6.

Met dagtekening 8 oktober 2020 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 overeenkomstig de brief van 12 juni 2020 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.282.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Onderhoudsverplichting

8. Uit artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) volgt dat de persoonsgebonden aftrek onder andere bestaat uit uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Deze zijn omschreven in artikel 6.3, eerste lid, van de Wet IB 2001. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

[…]

f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.”

9. Zowel voor toepassing van artikel 6.3, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001 als artikel 6.3, eerste lid, letter f, van de Wet IB 2001 moet sprake zijn van een rechtens afdwingbare verplichting.[1]

10. Eiser heeft ter zitting verklaard niet te zijn gescheiden en dat de huwelijksrelatie ook niet (tijdelijk) verstoord is geweest, maar dat hij en zijn echtgenote feitelijk gescheiden woonden omdat zijn echtgenote destijds tijdelijk in Marokko woonde en hij in Nederland. Nu er geen sprake is van een echtscheiding en een daaruit voortvloeiende alimentatieverplichting en verder gesteld noch gebleken is dat de bedragen die eiser aan zijn echtgenote heeft overgemaakt het gevolg zijn van een andere rechtens afdwingbare verplichting, is geen sprake van betalingen voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, Wet IB 2001. Verweerder heeft derhalve terecht deze uitgaven gecorrigeerd voor de jaren 2017 en 2018.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten (artikel 6.17 Wet IB 2001)

11. Eiser heeft in zijn aangiften meerdere specifieke zorgkosten in aanmerking genomen, zoals uitgaven voor medicijnen, voor vervoer i.v.m. vervoer of invaliditeit, hulpmiddelen, kleding en beddengoed, genees- en heelkundige hulp, en reiskosten ziekenbezoek. De bewijslast met betrekking tot de in aanmerking genomen uitgaven rust op eiser. Eiser heeft hieraan, met de stukken die hij pas in beroep heeft overgelegd, niet voldaan. Zo is niet duidelijk of er sprake is van voorgeschreven medicijnen, zijn er hulpmiddelen aangeschaft zoals krukken, een rolstoel, een bril die van aftrek uitgesloten zijn in de zin van artikel 6.17 Wet IB 2001, is ten aanzien van de reiskosten niet inzichtelijk gemaakt waarvoor deze gemaakt zijn en is niet aannemelijk gemaakt welke uitgaven eiser aan kleding en beddengoed heeft gemaakt in het kader van ziekte of invaliditeit. Voor zover al sprake zou zijn van aftrekbare kosten, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die niet reeds zijn vergoed door de verzekeraar. Eiser heeft geen vergoedingsoverzichten over 2017 en 2018 van de verzekeraar overgelegd. Verweerder heeft derhalve terecht de specifieke zorgkosten voor de jaren 2017 en 2018 gecorrigeerd.

Restant persoonsgebonden aftrek

12. Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hij nog een restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren niet aanmerking heeft kunnen nemen. Ook deze aftrek in 2018 is terecht door verweerder gecorrigeerd.

Nabetaling arbeidsongeschiktheidspensioen

13. Op grond van artikel 3.146 Wet IB 2001 worden loon of periodieke uitkeringen geacht te zijn genoten op het tijdstip dat deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden.

14. Niet in geschil is dat de nabetaling betrekking heeft op de periode vanaf 5 juni 2007 en dat [Pensioenfonds] dit heeft vastgesteld bij brief van 9 mei 2018. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij pas in 2018 het arbeidsongeschiktheidspensioen van [Pensioenfonds] heeft aangevraagd. In eerdere jaren bestond dus weliswaar een vorderbare uitkering maar die was nog niet direct inbaar. Verweerder heeft derhalve terecht de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen in 2018, het moment dat de uitbetaling plaatsvond, tot het belastbaar inkomen gerekend.

Evenredigheidsbeginsel

15. De stelling van eiser dat hij als gevolg van het volledig in 2018 in de heffing betrekken van de nabetaling diverse toeslagen en eerder ontvangen bedragen van de SVB moet terugbetalen en meer belasting is verschuldigd en dat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier om een wet in formele zin die niet aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel mag worden getoetst.[2] Wel kan eiser eventueel verzoeken om toepassing van de middelingsregeling in de zin van artikel 3.154 Wet IB 2001. Daartoe kan hij een verzoek indienen bij verweerder in de zin van artikel 3.154 Wet IB 2001 zodra de aanslag IB/PVV 2018 en de aanslagen van overige jaren die hij in de middeling wil betrekken onherroepelijk vaststaan.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing