Gerechtshof Den Haag, 05-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:997, BK-23/884
Gerechtshof Den Haag, 05-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:997, BK-23/884
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 juni 2024
- Datum publicatie
- 4 juli 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:7417, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-23/884
- Relevante informatie
- Art. 18 Wet WOZ, Art. 2 Uitv reg uitg obj
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. De werktuigenvrijstelling is niet van toepassing op de gehele PV-installatie (zonnepark) omdat de installatie op zichzelf is aan te merken als gebouwd eigendom.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/884
in het geding tussen:
(gemachtigde: K.A.G.M. Domen)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 18 augustus 2023, ROT 22/4035.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het belastingjaar 2021, bepaald naar de waardepeildatum 1 januari 2020 en de toestandsdatum 1 januari 2021, vastgesteld op € 2.891.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar niet-woning van de gemeente Ridderkerk (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader is vastgesteld op € 1.759.000 en de aanslag dienovereenkomstig is verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 548. Belanghebbende heeft op 12 april 2024 een nader stuk ingediend. De Heffingsambtenaar heeft bij brief van 15 april 2024 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 april 2024. Belanghebbende is verschenen. De Heffingsambtenaar heeft telefonisch meegedeeld dat hij niet zal verschijnen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Aan de [adres] te [woonplaats] staat een distributiecentrum.
Dit distributiecentrum is in eigendom van een derde.
Belanghebbende is met de eigenaar een huurovereenkomst aangegaan voor het huren van het dak van het distributiecentrum. In aanvulling op de huurovereenkomst heeft de eigenaar ten behoeve van belanghebbende een recht van opstal gevestigd (huuraanvullend opstalrecht). Belanghebbende exploiteert voor eigen rekening en risico een PVinstallatie (een fotovoltaïsche installatie bedoeld om zonlicht om te zetten in energie) op het dak van het distributiecentrum.
De PV-installatie bestaat uit zonnepanelen met de bijbehorende omvormers, bekabeling, leidingen, draagstructuren, digitale meters, zekeringen, schakelmateriaal en meetbord, verlichtings- en monitoringinstallatie, verbinding met de telefoonlijn of internetverbinding, de volledige verbinding naar het distributienetwerk, het toegangspunt naar het distributienetwerk, alsook alle andere goederen en constructies met betrekking tot het voorgaande. De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“3. Op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van de werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken (de zogenoemde werktuigenvrijstelling).
De Waarderingskamer heeft dit criterium, mede aan de hand van jurisprudentie, voor het bedrijfsmatig gebruik van zonnepanelen in een op de website gepubliceerd hulpmiddel bij de waardering, kort gezegd, als volgt nader ingevuld (cumulatief te lezen):
Het werktuig moet onroerend zijn;
Het moet een werktuig zijn ten behoeve van een productieproces en dus niet een installatie ten behoeve van het functioneren van een gebouw;
Het moet afgescheiden kunnen worden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht;
Het is geen op zichzelf gebouwd eigendom;
Onderdelen van een gebouwd eigendom kunnen alleen als werktuig bij de waardebepaling buiten aanmerking blijven als het resterende deel na verwijdering van deze onderdelen zijn uiterlijke herkenbaarheid behoudt;
4. De volledige PV-installatie valt dus onder de werktuigenvrijstelling als aan alle vijf de criteria wordt voldaan. De rechtbank begrijpt dat partijen het erover eens zijn dat wordt voldaan aan de eerste drie criteria, zijnde dat de PV-installatie onroerende is, er sprake is van een productieproces en dat de PV-installatie zonder beschadiging afgescheiden kan worden. Het geschil richt zich op de criteria vier en vijf, namelijk of de PV-installatie is aan te merken als een op zichzelf gebouwd eigendom en of de uiterlijke herkenbaarheid behouden wordt.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de PV-installatie geen op zichzelf gebouwd eigendom is. Op dit punt is de rechtbank het met eiser eens. Of daar sprake van is hangt niet enkel af van de juridische constructie op basis waarvan een en ander is aangebracht (in dit geval huur met recht van opstal), maar onder meer van de omvang van de installatie, de constructiewijze en de plaats binnen of buiten het gebouw. De constructiewijze geeft hier de doorslag, simpel gezegd: als het gebouw wordt afgebroken verdwijnt daarmee ook de PV-installatie. De PV-installatie kan dan ook niet aangemerkt worden als op zichzelf gebouwd eigendom.
6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat, nu de installatie geen op zichzelf gebouwd eigendom is, het vijfde criterium geen zelfstandige rol meer speelt. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De Waarderingskamer noemt de herkenbaarheid als een apart criterium, los van het criterium ‘geen zelfstandig gebouwd eigendom’. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2000:AA6113. Ook in dat arrest wordt, wil iets als het werktuig zelf gelden, verwijdering daarvan zonder dat de herkenbaarheid als werktuig wordt aangetast als een zelfstandig criterium genoemd.
Ten aanzien van de herkenbaarheid van de PV-installatie oordeelt de rechtbank als volgt. Een zonnepark zonder zonnepanelen verliest zijn herkenbaarheid als werktuig zonnepark. Na verwijdering van de zonnepanelen resteren in het zonnepark alleen stellages (de profielen en het onderstel). Zoals de Waarderingskamer in voornoemd hulpmiddel aangeeft geldt voor zonne-energieinstallaties (in dit geval de PV-installatie), althans van de omvang zoals die hier aan de orde is, die met bedrijfsmatig doel op het dak van een gebouw zijn geplaatst, hetzelfde als voor zonneparken die direct op de bodem staan. Zonder zonnepanelen is een en ander niet meer herkenbaar als werktuig zonne-energieinstallatie. De PV-installatie voldoet dus niet aan het herkenbaarheidsvereiste.
7. Nu verweerder de PV-installatie voor het overige terecht deels heeft aangemerkt als werktuig dat onder de werktuigenvrijstelling valt, is de waarde door verweerder aannemelijk gemaakt. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”