Home

Gerechtshof Den Haag, 24-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1328, BK-22/628

Gerechtshof Den Haag, 24-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1328, BK-22/628

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 juni 2025
Datum publicatie
28 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:1328
Zaaknummer
BK-22/628
Relevante informatie
Art. 11 lid 1 onderdeel i Wet OB 1968

Inhoudsindicatie

Artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten derde, Wet OB 1968: Lopen deelnemers aan beroepspensioenfonds beleggingsrisico? Aanspraak en uitkeringen zijn in de eerste plaats afhankelijk van het pensioengevend inkomen en het aantal dienstjaren. De deelnemer loopt indirect een beperkt risico dat wordt gedempt door waarborgen en de rekenrente, die de scherpste fluctuaties voorkomt. Belanghebbende is niet vergelijkbaar met een DC-fonds. De deelnemers van belanghebbende delen niet direct en volledig in de positieve en de negatieve uitschieters. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/628

Uitspraak van 24 juni 2025

in het geding tussen:

Stichting [X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.P.A. Vermeer)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 juni 2022, nummer SGR 21/4776.

Procesverloop

1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2018.

1.2. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is € 360 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het Hof heeft de zaak aangehouden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest had gewezen in de gevoegde zaken C-639/22 tot en met C-644/22. Na het arrest van 5 september 2024 heeft het Hof partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het arrest te reageren. Partijen hebben daarvan gebruikgemaakt. De Inspecteur heeft op 24 april 2025 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft op 1 mei 2025 een nader stuk ingediend met bijlagen. De Inspecteur heeft op 13 mei een pleitnota ingediend met één bijlage.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1. Belanghebbende is een beroepspensioenfonds en voert de pensioenregeling uit voor bij haar aangesloten [beroepsgroep] . De pensioenregeling is een uitkeringsregeling op basis van een middelloonsystematiek.

2.2. In het Pensioenreglement 2018 (pensioenreglement) van belanghebbende is onder andere het volgende opgenomen:

“Artikel 2 Karakter pensioenregeling

1. Deze pensioenregeling is een collectieve beschikbare premieregeling met directe omzetting in pensioenaanspraken. De pensioenregeling is gebaseerd op een vooraf vastgestelde premie, die de deelnemers afdragen aan het fonds. Uit deze premie wordt de jaarlijkse pensioenopbouw, bestaande uit ouderdoms-, partner- en wezenpensioen, op basis van een middelloonsystematiek, ingekocht. De hoogte van de pensioenopbouw op basis van een middelloonsystematiek is in enig jaar mede afhankelijk van de hoogte van de premie en de marktomstandigheden, die in dat bepaalde jaar de kosten van pensioenopbouw bepalen. In artikel 18 is de hoogte van de premie vermeld.

2. Hoewel er nadrukkelijk een pensioenopbouw op basis van het middelloonstelsel beoogd wordt, is deze pensioenregeling gebaseerd op een vooraf vastgestelde premie. In het kader van artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt deze pensioenregeling aangemerkt als een uitkeringsregeling.

Artikel 3 Deelnemer en deelnemerschap

1. De deelnemer heeft met inachtneming van de bepalingen in dit pensioenreglement en de statuten aanspraak op:

a. ouderdomspensioen ten behoeve van zichzelf (artikel 5);

b. partnerpensioen ten behoeve van zijn partner (artikel 6);

c. wezenpensioen ten behoeve van zijn kind(eren) (artikel 7):

voor zover de vooraf vastgestelde premie daarvoor toereikend is. Voorts bestaat onder bepaalde

voorwaarden recht op (gedeeltelijke) premievrije pensioenopbouw bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid (artikel 19).

2. Deelnemer is de [beroepsgroep] op wie op of na 31 december 2017 de volgende omschrijvingen van toepassing zijn:

a. De [beroepsgroep] is:

1. ingeschreven krachtens artikel 61. vijfde lid van de Geneesmiddelenwet in het register der gevestigde [beroepsgroep] ,

en/of

2. ingeschreven krachtens artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register der [beroepsgroep] , en werkzaam in een openbare [locatie] .

b. De [beroepsgroep] heeft de pensioenrichtdatum nog niet bereikt.

c. Het ouderdomspensioen van de [beroepsgroep] is nog niet ingegaan.

Onder openbare [locatie] wordt in dit pensioenreglement verstaan een [locatie] die […] .

(...)

Artikel 4Pensioengrondslag

1. Bij de berekening van de hoogte van de pensioenen wordt uitgegaan van de pensioengrondslag van de deelnemer bij de aanvang van het deelnemerschap aan de pensioenregeling en vervolgens per de eerste van de maand waarin een wijziging van het pensioengevend inkomen en/of de parttimegraad plaatsvindt met in achtneming van de fiscale wet- en regelgeving.

2. De pensioengrondslag wordt vastgesteld door het fulltime pensioengevend inkomen te verminderen met de dan geldende franchise en het verschil te vermenigvuldigen met de parttimegraad.

(...)

Artikel 5 Ouderdomspensioen

Artikel 6 Partnerpensioen

Artikel 7 Wezenpensioen

Artikel 12 Afkoop, waardeoverdracht en verval van een (heel) klein pensioen

Artikel 15 Toeslagverlening

Artikel 18 Financiering

Artikel 19 Vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid

Artikel 23 Verbod op afkoop en vervreemding, volmacht