Home

Gerechtshof Den Haag, 16-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2319, BK-24/898

Gerechtshof Den Haag, 16-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2319, BK-24/898

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16 juli 2025
Datum publicatie
1 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2319
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/898
Relevante informatie
Art. 8a Awir, Art. 1 EP EVRM

Inhoudsindicatie

Art. 8a Awir. Verordening 1408/71 en Verordening 883/2004. Art. 1 EP EVRM. Vaststelling niet in Nederland belastbaar inkomen. Belanghebbende woont in 2020 tot 1 juli in België en vanaf 1 juli in Nederland. Belanghebbende geniet in 2020 een AOW-uitkering en een pensioenuitkering. NiNbi-beschikking niet onrechtmatig. Geen strijd met art. 1 EP bij het EVRM. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/898

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 september 2024, nummer SGR 23/7346.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voor het jaar 2020 een beschikking gegeven naar een niet in Nederland belastbaar inkomen van € 29.827 (de NiNbi-beschikking).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de NiNbi-beschikking afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 24 april 2025. De Inspecteur heeft aan de mondelinge behandeling van de zaak deelgenomen via MS Teams via een rechtstreekse geluids- en videoverbinding met het Hof. Belanghebbende is met telefonisch bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde tot 1 juli 2020 in België en vanaf 1 juli 2020 in Nederland.

2.2.

Belanghebbende hield in het onderhavige jaar alle aandelen in [A B.V.] (de pensioen-BV). Belanghebbende ontving in 2020 een AOW-uitkering en een pensioenuitkering.

2.3.

Met dagtekening 14 juli 2023 heeft de Inspecteur de NiNbi-beschikking gegeven. Het hierin vermelde totale wereldinkomen bedraagt € 50.258. Het vastgestelde niet in Nederland belastbaar inkomen bedraagt € 29.827.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“4. In geschil is of de NiNbi-beschikking terecht is vastgesteld en zo ja, of de NiNbi-beschikking op het juiste bedrag is vastgesteld.

5. Eiser heeft de rechtbank verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van het oordeel van de Hoge Raad over twee door eiser ingestelde cassatieberoepen tegen uitspraken over eerdere jaren[1], welke volgens eiser voor het einde van dit jaar zullen volgen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Eén van deze cassatieberoepen betreft een ander geschilpunt dan in de onderhavige zaak aan de orde is.[2] Het andere cassatieberoep betreft het jaar 2018 met vergelijkbare geschilpunten als in de onderhavige zaak. De Hoge Raad en diverse gerechtshoven hebben voor de situatie van eiser voor eerdere jaren reeds geoordeeld op deze geschilpunten. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting uit te stellen of de zaak aan te houden.

6. Eiser stelt dat de NiNbi-beschikking ten onrechte is vastgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt eiser dat hij niet onder de werkingssfeer van Verordening 1408/71 en Verordening 883/2004 valt, omdat hij enkel in Nederland heeft gewerkt. Genoemde verordeningen hebben alleen betrekking op arbeidsmigranten, aldus eiser. Eiser heeft nooit buiten Nederland gewerkt en zijn verhuizing naar België in 1994 heeft enkel te maken met een (duurzaam) verblijfsrecht op grond van artikel 21 van het VWEU. Verweerder is daarom niet bevoegd om de NiNbi-beschikking op te leggen. Door gegevens door te geven aan het CAK heeft verweerder de privacy-rechten van eiser geschonden.

7. In de uitspraak van het Hof ’s Hertogenbosch van 23 oktober 2014[3], gewezen inzake de aan eiser voor het jaar 2006 opgelegde Ninbi-beschikking heeft het Hof overwogen:

“4.2. (…) Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU vallen diegenen die recht hebben op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een of meer lidstaten, zelfs indien zij geen beroepswerkzaamheden verrichten, wegens hun aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid onder de bepalingen van Verordening 1408/71. Dit wordt ook bevestigd door het arrest van het HvJ EU van 14 oktober 2010, C-345/09 (Van Delft e.a.), waarin betrokkenen allen hun volledige beroepsloopbaan in Nederland hadden opgebouwd en vervolgens gingen wonen in een andere lidstaat waar zij geen beroepswerkzaamheden hadden verricht en ook niet op zoek waren geweest naar werk. Belanghebbendes situatie is daarmee vergelijkbaar. Het HvJ EU heeft in dat arrest artikel 28, 28bis en 33 van Verordening 1408/71 van toepassing verklaard.”

Het door eiser tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 30 oktober 2015, ongegrond verklaard.[4]

8. Hetgeen eiser in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

9. Eiser stelt verder dat zijn recht op privacy is geschonden, omdat verweerder de inkomensgegevens, waaronder het NiNbi heeft verstrekt aan het CAK. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 12 juli 2013[5], over de verstrekking van deze gegevens door verweerder aan het CvZ als volgt geoordeeld:

“Vervolgens stelt belanghebbende dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld, althans in strijd met diens publiekrechtelijke bevoegdheid door het bij de beschikking vastgestelde NiNbi van belanghebbende te verstrekken aan het CvZ. Het Hof overweegt in deze als volgt. Ingevolge artikel 89 van de Zvw in verbinding met artikel 88 van de Zvw is de Belastingdienst bevoegd uit eigener beweging en verplicht op verzoek aan – onder meer – het CvZ de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de Zvw. Van het door belanghebbende gestelde onrechtmatige handelen door de Inspecteur, althans strijdigheid met de bevoegdheid van de Inspecteur ter zake van diens handelen is derhalve geen sprake.”

10. Hetgeen eiser heeft aangevoerd geeft geen reden om met betrekking tot het onderhavige jaar ten aanzien van het CAK anders te oordelen. Van schending van het recht op privacy is geen sprake aangezien de verstrekking van deze gegevens berust op een wettelijke grondslag.

11. Ook de stelling van eiser dat verweerder niet bevoegd is om NiNbi-beschikkingen te geven, faalt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 12 mei 2010[6] waarin reeds is overwogen:

“Ingevolge het bepaalde in artikel 69, leden 2 en 5 van de Zvw (tekst Staatsblad 2006, nr. 79) kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Dit is geschied bij de Regeling Zorgverzekering (hierna: de Regeling). Ingevolge artikel 6.3.1, lid 9, van de Regeling (tekst luidend ten tijde hier van belang, Staatscourant 13 april 2007, nr. 72), wordt het NiNbi door de Belastingdienst vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir).

Ingevolge artikel 6.3.1, lid 10, van de Regeling, is ter zake van de opgaaf van niet in Nederland belastbaar inkomen de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing als ware deze opgaaf een aangifte inkomstenbelasting.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bevoegd is de NiNbi-beschikking af te geven.”

12. Eiser heeft diverse gronden aangevoerd op grond waarvan verweerder de NiNbi-beschikking onterecht aan eiser zou hebben gegeven. Gerechtshof Den Haag heeft in zijn uitspraak van 16 november 2023[7] geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft beslist dat de NiNbi-beschikking terecht door verweerder is gegeven. Het hof heeft daarbij ook verwezen naar diverse procedures over deze vraag van eiser in eerdere jaren tot aan de Hoge Raad, waarbij eiser in het ongelijk is gesteld.[8] Wat eiser voor het onderhavige jaar verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het door eiser aangevoerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 november 2023 (C-459/22)[9] brengt hier evenmin verandering in.

13. Nu de rechtbank van oordeel is dat de NiNbi-beschikking terecht aan eiser is gegeven, komt eisers stelling aan de orde dat die beschikking niet mag zien op de periode vanaf 1 juli 2020. Deze stelling slaagt evenmin. Verweerder heeft verklaard dat, hoewel het inkomen op jaarbasis wordt vastgesteld, de verdragsbijdrage enkel berekend is over de periode waarin eiser in het buitenland woonde. Er is in die zin dus enkel rekening gehouden met de eerste helft van het jaar. De stelling van eiser dat de periode tot 1 juli 2020 minder dagen bevat dan de periode vanaf 1 juli 2020 leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder de Ninbi-beschikking onjuist heeft vastgesteld.

14. Van het door eiser gestelde motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar is de rechtbank niet gebleken. Uit de uitspraak op bezwaar wordt voldoende duidelijk op welke gronden de bezwaren van eiser zijn afgewezen. Ook blijkt daaruit voldoende duidelijk dat de verwijzing naar eerdere uitspraken, uitspraken betreffen op de door eiser ingediende bezwaren over eerdere jaren.

15. Eiser heeft zich ten slotte beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Van een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn, indien 1) een begunstigend beleid wordt gevoerd, dan wel 2) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of 3) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op eiser. Met de enkele verwijzing naar de expatregeling heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

16. Voor zover eiser door zijn verwijzing naar andere stukken in andere procedures verweerder heeft gevraagd om stukken in te brengen, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat op deze zaak betrekking hebbende stukken betreft.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het HvJ EU een prejudiciële vraag te stellen.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

19. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ook bestaat daarom geen aanleiding voor een schadevergoeding zoals bedoeld door eiser.[10]

(…)

[1] Uitspraken van Hof Den Haag van 16 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2459 en ECLI:NL:GHDHA:2023:2551.

[2] Het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 november 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2551) betreft de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering.

[3] ECLI:NL:GHSHE:2014:4402.

[4] ECLI:NL:HR:2015:3179.

[5] ECLI:NL:GHSHE:2013:3022. Vgl. ook Hof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4402.

[6] ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8453.

[7] ECLI:NL:GHDHA:2023:2459.

[8] Zie HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:202 en ECLI:NL:HR:2014:203, HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:130, HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:530, HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:431 en HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1294.

[9] ECLI:EU:C:2023:878.

[10] Zie artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (oud).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing