Home

Gerechtshof Den Haag, 26-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2574, BK-25/459

Gerechtshof Den Haag, 26-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2574, BK-25/459

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26 november 2025
Datum publicatie
22 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2574
Formele relaties
Zaaknummer
BK-25/459
Relevante informatie
Art. 8:73 Awb

Inhoudsindicatie

Terugbetalingsverplichting na voorlopige aanslagen IB/PVV 2022. Vertrouwensbeginsel niet geschonden.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/459

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 mei 2025, nummer SGR 24/5362.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de

inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is € 51 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 143 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 juni 2025, op 13 oktober 2025 en op 14 oktober 2025 (in totaal drie) nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

In 2022 heeft belanghebbende achtereenvolgens bij vier verschillende werkgevers gewerkt. Daarnaast heeft belanghebbende een uitkering van het UWV ontvangen.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2022 meermaals (nadere) voorlopige aanslagen IB/PVV aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur meerdere (nadere) voorlopige aanslagen IB/PVV opgelegd en belastingteruggaven verleend.

2.3.

Belanghebbende heeft vervolgens een aangifte IB/PVV 2022 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530. De Inspecteur heeft een nadere voorlopige aanslag (met kenmerk […] ) conform de aangifte opgelegd. Op grond van deze aanslag diende belanghebbende € 5.220 IB/PVV terug te betalen. De Inspecteur heeft daarna een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd, wederom conform de aangifte, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530.

Oordeel van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“8. Ter zitting is komen vast te staan dat niet in geschil is dat de aanslag juist is vastgesteld en dat daaruit volgt dat eiser de eerder ontvangen voorlopige aanslagen ten bedrage van € 5.220 alsnog verschuldigd is.

9. Eiser stelt dat hij naar aanleiding van een van de voorlopige aanslagen telefonisch contact had opgenomen met verweerder om er zeker van zijn dat die voorlopige aanslag juist was vastgesteld, en dat hem daarbij is geantwoord dat de voorlopige aanslagen en dus ook de teruggaven daarop correct zijn vastgesteld.

10. De rechtbank vat deze stelling van eiser op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep faalt. Naar vaste jurisprudentie kan niet rechtens te beschermen vertrouwen worden ontleend aan een voorlopige aanslag als zodanig.[1] Dat kan pas als de belastingplichtige uit uitlatingen van de inspecteur of uit bijzondere bijkomstige omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen afleiden van de inspecteur weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zoals ter zitting is komen vast te staan, heeft verweerder bij het telefoongesprek verweerder niet meer gezegd dan dat de voorlopige aanslagen kloppen met de door eiser ingediende verzoeken om voorlopige aanslagen. Daaraan kan niet worden ontleend dat verweerder een weloverwogen standpunt had ingenomen over de elementen van de op te leggen definitieve aanslag.

11. De rechtbank begrijpt hoe vervelend het is voor eiser om te worden geconfronteerd met de terugbetalingsverplichting, vooral omdat hij het bedrag van € 5.220 al had besteed en een lening heeft moeten aangaan om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen, maar dat maakt de aanslag niet onjuist en levert geen grond op voor vernietiging daarvan.

12. De terugbetalingsverplichting is ontstaan doordat de werkgevers van eiser te weinig loonbelasting hebben ingehouden en/of doordat onjuiste voorlopige aanslagen zijn gedaan. Daarvan kan verweerder geen verwijt worden gemaakt. Omdat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld, is veroordeling van hem tot vergoeding van schade niet aan de orde.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

(…)

[1] Hoge Raad, 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing