Home

Gerechtshof Den Haag, 01-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2593, BK-24/922

Gerechtshof Den Haag, 01-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2593, BK-24/922

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
1 oktober 2025
Datum publicatie
5 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2593
Zaaknummer
BK-24/922
Relevante informatie
Art. 10.21 WMB, Art. 10.22 WMB

Inhoudsindicatie

Artikel 10.21, lid 1, Wet Milieubeheer. Afvalstoffenheffing. Gemeente voldoet aan inzamelplicht. Belanghebbende kan ter zake van de afvalstoffenheffing geen rechten ontlenen aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/922

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 september 2024, nummer SGR 23/3542.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordwijk opgelegd ter zake van het perceel [perceel] te [woonplaats] (de aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 31 juli 2025 een nader stuk ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is via een bericht verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ (het webportaal) op 11 juni 2024, 11:29 uur, onder vermelding van datum, tijdstip en plaats uitgenodigd de zitting bij te wonen. Belanghebbende heeft het Hof verzocht om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Het Hof heeft belanghebbende op 6 augustus 2025, 17:01 uur, door middel van een e-mailbericht verzonden aan het door belanghebbende via het webportaal opgegeven e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ uitgenodigd de zitting digitaal bij te wonen. Aan het begin van de zitting heeft de griffier vergeefs nog tweemaal getracht telefonisch contact met belanghebbende op te nemen. De Heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting via een videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8.

Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 12 augustus 2025 om 12:22 uur een bericht ontvangen van belanghebbende waarin hij meldt dat de gegevens voor de deelname niet zijn verstuurd en niet in de digitale mailbox staan en stelt dat de stukken van de gemeente te laat zijn toegestuurd en buiten behandeling moeten blijven. Hetgeen belanghebbende aanvoert, geeft het Hof geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en maakt gebruik van het perceel [perceel] te [woonplaats] (het perceel).

2.2.

Het perceel ligt aan een onverharde weg, die ongeveer 315 meter lang is en zich bevindt op grond die in particulier eigendom is. Aan het begin van de onverharde weg staat een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“3. Ingevolge artikel 2, tweede, lid, van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023, wordt afvalstoffenheffing geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4. De verplichting van artikel 10.21 van de Wmb bestaat ten aanzien van percelen waar afvalstoffen geregeld kúnnen ontstaan. Het is dus niet van belang of daar daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.[1]

5. Vast staat dat het perceel in gebruik is als woning en dat daar geregeld afvalstoffen (kunnen) ontstaan. De gemeente heeft dus op grond van artikel 10.21 van de Wmb een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen ten aanzien van het perceel.

6. De gemeente maakt voor haar inzamelplicht gebruik van de diensten van [Afvalverwerkingsbedrijf] . Tussen de gemeente en [Afvalverwerkingsbedrijf] bestaat de afspraak dat de vuilniswagens van [Afvalverwerkingsbedrijf] niet op particulier terrein hoeven te rijden teneinde schade aan dat terrein en aan de vuilniswagens te voorkomen.

7. Het perceel is gelegen aan een zandweg van 315 meter lang die eigendom is van diverse particulieren. De gemeente heeft daarom bepaald dat het inzamelpunt voor het huishoudelijk afval is gelegen aan de [straat] ter hoogte van nummer […] . Eiser stelt dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt te groot is. De gemeente voldoet daarmee volgens hem niet aan haar inzamelplicht om bij het perceel het afval op te halen. Verder heeft de Minister volgens eiser bepaald dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt maximaal 125 meter mag bedragen.

8. De bepaling waar eiser naar verwijst, betreft artikel 3 van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (de Regeling). In deze bepaling is uitvoering gegeven aan artikel 10.26, vierde lid, van de Wmb. Dit artikel en de Regeling zijn op 26 november 2008 vervallen. Met het vervallen van de Regeling geldt de grens van 125 meter dus niet meer. In de Memorie van Toelichting[2] is dit als volgt toegelicht:

“Aangezien de wettelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeenten ligt, is het uit oogpunt van decentralisatie niet noodzakelijk om te bepalen binnen welke maximale afstand van de perceelsgrens de gemeente moet zorg dragen voor de inzameling van huishoudelijk afval. Voorgesteld wordt de dwingend voorgeschreven delegatiebevoegdheid (neergelegd in artikel 10.26, vierde lid, Wm) te laten vervallen (artikel I, onderdeel H). Met het vervallen van deze delegatiebevoegdheid komt de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel van rechtswege te vervallen.”

9. Met het vervallen van de Regeling geldt er dus geen maximale afstand meer van een perceel tot het inzamelpunt.

10. Een redelijke uitlegging van artikel 10.21 van de Wmb brengt mee dat de in dat artikel bedoelde inzamelplicht zich niet uitstrekt tot buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen.[3] Van een gemeente kan in redelijkheid niet worden geëist dat zij huishoudelijk afval ophaalt op particulier terrein. Verweerder heeft onweersproken gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat het door de gemeente aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel gelegen voor het openbare rijverkeer openstaande weg is waar de vuilniswagens het huishoudelijk afval kunnen ophalen. Hiermee komt de gemeente dan ook haar inzamelplicht na. Dat eiser een heel eind moet lopen met de containers doet hier niet aan af. De landelijke ligging van het perceel maakt dit nodig. De aanslag is daarom terecht aan eiser opgelegd.

11. De eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat het opleggen van de aanslag in strijd is met diverse mensenrechten is op geen enkele wijze onderbouwd en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van enige schending van de mensenrechten.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

(…)

[1] Zie Hoge Raad, 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1838.

[2] Kamerstukken II 2007/08, 31 337, nr. 3, blz. 3.

[3] Vgl. HR 15 februari 1984, nr. 22 311, ECLI:NL:HR:1984:AC4018.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing