Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2638, BK-25/120
Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2638, BK-25/120
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 5 januari 2026
- Zaaknummer
- BK-25/120
- Relevante informatie
- Art. 3:40 Awb, Art. 3:41 Awb, Art. 6:12 Awb, Art. 6:20 Awb
Inhoudsindicatie
Art. 3:69 BW. Artt. 3:40 en 3:41 Awb; ontvankelijkheid hoger beroep; machtiging in hoger beroep; bekrachtiging; ontvangst uitspraak op bezwaar; verzending uitspraak op bezwaar naar privéadres gemachtigde; beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk; hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/120
in het geding tussen:
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 16 december 2024, nummer ROT 23/3147.
Procesverloop
Met dagtekening 17 augustus 2022 is aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd van in totaal € 68,30, bestaande uit € 1,80 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing.
Met dagtekening 6 september 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar bij brief van 3 januari 2023 in gebreke gesteld.
Met dagtekening 25 januari 2023 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan, het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
Bij brief van 21 maart 2023 heeft belanghebbende een dwangsomverzoek aan de Heffingsambtenaar verstuurd.
Belanghebbende heeft op 3 mei 2023 beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft partijen op 11 juni 2025 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op 12 augustus 2025. De Heffingsambtenaar heeft op 30 juli 2025 het Hof laten weten dat wat hem betreft een zitting achterwege kan blijven. Het Hof heeft partijen op 1 augustus 2025 bericht eveneens geen aanleiding te zien voor een mondelinge behandeling en daarbij aan de gemachtigde verzocht uiterlijk 5 augustus 2025 het Hof te berichten als hij daartoe wel aanleiding ziet. Omdat de gemachtigde hierop niet heeft gereageerd heeft het Hof partijen op 6 augustus 2025 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat het Hof uiterlijk 17 september 2025 uitspraak zal doen.
Bij bericht van 2 september 2025 heeft het Hof het onderzoek heropend. Aanleiding voor de heropening is (de ondertekening van) de machtiging van de gemachtigde met dagtekening 13 maart 2025 die aan het Hof is verstrekt. Belanghebbende heeft op 3 september 2025 op de heropening gereageerd. Het Hof heeft partijen bij bericht van 15 september 2025 nader bericht over de aanleiding voor de heropening van het onderzoek.
Bij bericht van 22 september 2025 heeft het Hof partijen uitgenodigd voor de zitting van 21 oktober 2025. Daarbij heeft het Hof de gemachtigde opgeroepen om ter zitting te verschijnen voor het verstrekken van nadere inlichtingen. Belanghebbende heeft op 6 oktober 2025 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 21 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Op verzoek van het Hof heeft de gemachtigde na de zitting op 21 oktober 2025 nog een e-mail van 3 september 2025 aan het dossier toegevoegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 4 augustus 2022 om 12:42 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd op de [straat] in [woonplaats] (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting.
Tijdens een controle op hiervoor genoemd tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stond geparkeerd zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 januari 2023 is de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak op bezwaar is als volgt geadresseerd:
“ [belanghebbende]
p/a NGA Voorbach
[postadres]
”
Belanghebbende heeft op 3 mei 2023 beroep niet-tijdig beslissen ingesteld.
In beroep heeft de gemachtigde een ondertekende machtiging overgelegd met dagtekening 15 augustus 2022.
In hoger beroep is de gemachtigde door het Hof op 12 maart 2025 verzocht een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend
vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift.
De gemachtigde heeft in reactie daarop een ondertekende machtiging overgelegd met dagtekening 13 maart 2025.
Op 3 september 2025 heeft de gemachtigde belanghebbende een mail gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:
“Naar aanleiding van uw ingediende naheffingsaanslag uit 2022 wil ik u nogmaals verzoeken of u kunt bevestigen dat u achter de machtiging van u aan ons staat m.b.t. de procedure. Omdat het Gerechtshof vragen stelt omtrent onze volmacht zou ik aan u willen vragen of u kortheidshalve via deze mail kunt bevestigen dat de volmacht van 13 maart '25 met uw toestemming is ingediend, zoals telefonisch met u is besproken. Deze toestemming is nodig zodat wij de naheffingsaanslag verder voor u aan kunnen vechten. Alvast hartelijk dank voor uw reactie!”
Belanghebbende heeft daarop op 3 september 2025, voor zover van belang, als volgt gereageerd:
“Hierbij geef ik machtiging/toestemming.”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“2. De rechtbank beoordeelt het beroep niet tijdig beslissen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de uitspraak op bezwaar tijdig bekend gemaakt?
3. Eiser heeft beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de belanghebbende per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende gelet op artikel 6:12 van de Awb beroep instellen.
5. De heffingsambtenaar doet op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.[1]
6. Het bezwaarschrift is op 1 november 2022 door de heffingsambtenaar ontvangen. De termijn om op het bezwaarschrift te beslissen eindigt in dit geval op 31 december 2022. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 11 januari 2023 (gedagtekend 25 januari 2023).
7. Ter beoordeling staat of de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2023 tijdig bekend is gemaakt door verzending aan de gemachtigde van eiser. Ten aanzien van diens stelling dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan de heffingsambtenaar is om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de gemachtigde van eiser is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het stuk hem op een andere manier heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de stukken op dat adres. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres.[2]
8. De heffingsambtenaar heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar (gedagtekend 25 januari 2023) met vorderingsnummer […] op het adres van de gemachtigde van eiser is ontvangen of aangeboden. Deze verzendadministratie is aanvankelijk door verweerder ingediend bij het verweerschrift in de zaak tussen partijen met nummer ROT 23/2607. De verzendadministratie is besproken ter zitting, waarop ook de onderhavige zaak (met nummer ROT 23/3147) is behandeld. Bij brief van 17 september 2024 heeft verweerder deze verzendadministratie, in het kader van de ter zitting gemaakte afspraken, nogmaals toegestuurd. Eiser heeft hierop ook gereageerd. De rechtbank betrekt de verzendadministratie daarom in haar beoordeling.
9. Uit de overgelegde verzendadministratie blijkt dat de uitspraak twee weken voor de dagtekening is aangemaakt en verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van eiser ( [postadres] ). De schermprints tonen aan dat de uitspraak op bezwaar in een batch van in totaal 9.032 documenten is geprint met een 2D code, in een envelop is gedaan om 14:44 uur en op 11 januari 2023 door de gemeente aan PostNL is aangeboden. PostNL heeft de gemeente gemeld dat bij deze batch geen uitval heeft plaatsgevonden. Het vorderingsnummer, zoals vermeld op de schermprint van de uitspraak op bezwaar, komt overeen met het nummer op de uitspraak op bezwaar. Hiermee is aannemelijk geworden dat de uitspraak op bezwaar de gemachtigde van eiser heeft bereikt. Dat de uitspraak aan het privéadres van de gemachtigde is verzonden maakt op zichzelf niet dat aannemelijk is dat hij de gemachtigde niet zou hebben bereikt.
10. De gemachtigde heeft de verzendadministratie op zichzelf niet betwist. De enkele stelling dat de ontvangst wordt betwist is onvoldoende om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen.
11. Nu aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan en op 11 januari 2023 per post is verzonden, zijn de ingebrekestelling, het verzoek om een dwangsom en het ingestelde beroep niet tijdig beslissen van eiser niet meer aan de orde. Het is namelijk niet mogelijk om een ingebrekestelling in te dienen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen.[3] Voor het toekennen van een dwangsom bestaat geen reden, nu de uitspraak op bezwaar binnen de daarvoor gestelde termijn is gedaan. De stelling dat de uitspraak op bezwaar op onjuiste wijze bekend is gemaakt vanwege de verzending naar het privéadres van de gemachtigde, ziet op de procedurele belangen van eiser en is niet redengevend in het kader van een beroep niet-tijdig beslissen; als vast staat dat het besluit tijdig bekend is gemaakt, heeft het in artikel 4:17 Awb vervatte rechtsmiddel in zoverre het door de wetgever bedoelde effect gesorteerd.[4] Gelet hierop is het ingestelde beroep niet-ontvankelijk. Omdat uitspraak op bezwaar is gedaan voordat beroep is ingesteld, is van een “alsnog genomen besluit” in de zin van het derde lid van artikel 6:20 van de Awb geen sprake en is dus een beoordeling van de uitspraak op bezwaar aan de hand van het beroep wegens niet tijdig beslissen niet aan de orde.[5] Voor een dergelijke conversie van het ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen naar een reëel beroep is geen aanleiding, omdat eiser pas na afloop van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld.[6]