Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2673, BK-25/150
Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2673, BK-25/150
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 19 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:931, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-25/150
- Relevante informatie
- Art. 8:72 Awb, Art. 8:73 Awb
Inhoudsindicatie
Artikel 8:73 Awb (oud). Artikel 8:75 Awb juncto artikel 2, lid 3, Bpb. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van (im)materiële schade terecht afgewezen en de verletkosten niet op een te laag bedrag vastgesteld. Geen aanleiding voor vergoeding van (werkelijke) proceskosten.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/150
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 januari 2025, nummer SGR 23/3417.
Procesverloop
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.769, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.674 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.930 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 350 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;
- wijst het verzoek van eiser om een schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 oktober 2025 een nader stuk, met vier bijlagen, ingediend. De Inspecteur heeft op 23 oktober 2025 een nader stuk, met vijf bijlagen, ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft een eenmanszaak en houdt zich bezig met advies en consultancy.
Naar aanleiding van gerezen vragen over de door belanghebbende voor het jaar 2019 ingediende aangifte IB/PVV heeft de Inspecteur bij brief van 23 februari 2022 belanghebbende verzocht om informatie te verstrekken over, onder meer, buitenlandse spaarrekening(en). Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)
Bezittingen: specificatie
(…)
Tevens bent u in het bezit van buitenlandse spaarrekening(en). Graag ontvang ik van u het jaaroverzicht van de buitenlandse spaarrekening(en) en een overzicht waaruit blijkt wanneer deze rekening(en) geopend zijn.”
Aangezien belanghebbende niet had gereageerd op vorenbedoelde brief, heeft de Inspecteur bij brief van 24 maart 2022 een herinnering gestuurd en bij brief van 6 april 2022 het verzoek om informatie herhaald. Bij brief van 6 april 2022, heeft belanghebbende, voor zover van belang, als volgt gereageerd:
“Bezittingen
(…)
Van buitenlandse spaarrekeningen in de zin van in het buitenland geopende spaarrekeningen is geen sprake. Alle spaarrekeningen betreffen gewoon in Nederland aangeboden producten, zijn altijd in de desbetreffende aangiften opgenomen en zijn voor zover bekend (en zoals ook uit de vragenbrief blijkt) gerenseigneerd. Zoals al is opgemerkt, betreft dit ook niet in box 3 vallende bezittingen. Mocht de Belastingdienst van mening zijn dat toch sprake is van daadwerkelijk in het buitenland, buiten haar zicht geopende spaarrekeningen, dan wordt graag vernomen om welke rekeningen dat dan zou gaan. Ondergetekende is zich in elk geval van niets bewust.”
Bij brief van 19 mei 2022 heeft de Inspecteur om nadere informatie verzocht. Deze brief luidt onder meer als volgt: