Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2675, BK-25/424
Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2675, BK-25/424
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 5 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:8185, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-25/424
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Waardevaststelling appartement. Beroep op het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) slaagt.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/424
in het geding tussen:
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 mei 2025, nummer SGR 24/4012.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (het appartement), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 671.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de van eigenaren geheven onroerende-zaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“de rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 641.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een bedrag berekend naar een waarde van € 641.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 12,36;
- draagt de heffingsambtenaar op om het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 1 oktober 2025 een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2025. Belanghebbende is wel, doch de Heffingsambtenaar is – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. Na afloop van de zitting heeft het Hof vernomen dat de Heffingsambtenaar de uitnodiging voor de zitting wel had ontvangen, doch deze niet juist in zijn agenda had genoteerd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van het appartement. Het appartement heeft een gebruiksoppervlakte van 150 m2 en is gelegen op de negende (bovenste) verdieping van een appartementencomplex, bestaande uit drie identieke woontorens (het appartementencomplex). Het appartement is gelegen in woontoren A en heeft bouwtype D. Het beschikt over een onderpandige berging, een balkon en een parkeerplaats.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“3. De heffingsambtenaar heeft ter zitting een compromisvoorstel gedaan om de waarde te verlagen naar € 641.000. Belanghebbende heeft hierop verklaard vast te houden aan zijn standpunt dat de waarde te hoog is vastgesteld en dit voorstel enkel te accepteren, indien de rechtbank oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing is.
4. Het houdt partijen verdeeld of er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de woning identiek zou zijn aan 23 andere woningen. Belanghebbende heeft daarover verklaard, dat de indeling van deze woningen identiek is, de woningen hetzelfde type zijn en dat ze alle in dezelfde prijscategorie vallen. Belanghebbende heeft verder verklaard, dat hij de mate van onderhoud van de andere woningen niet kan beoordelen, de keukens van de woningen kunnen verschillen en dat hij niet weet of er in de andere woningen aanpassingen zijn gedaan. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de woningen niet (nagenoeg) identiek zijn en daarbij vooral gewezen op het feit dat er bij koopwoningen bijna altijd verschillen zijn.
5. De rechtbank overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn indien a) de heffingsambtenaar een begunstigend beleid voert, b) ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c) de meerderheidsregel wordt geschonden.[1] In de onderhavige situatie is gesteld noch gebleken dat sprake is van een begunstigend beleid of van een oogmerk tot begunstiging. Het gelijkheidsbeginsel kan dus slechts toepassing vinden in het kader van de meerderheidsregel. Een beroep op de meerderheidsregel kan alleen slagen indien belanghebbende voldoende onderbouwt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde in een meerderheid van de met de woning van belanghebbende (nagenoeg) identieke gevallen lager heeft vastgesteld dan de waarde van de woning. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het daarbij gaan om identieke woningen, in die zin dat de onderlinge verschillen tussen de woningen verwaarloosbaar zijn, en dienen ten minste twee identieke woningen te worden opgevoerd.[2]
6. Naar oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de 23 woningen in het complex van belanghebbende (nagenoeg) identiek zijn aan de woning. De verklaring van de belanghebbende ter zitting duidt erop dat er wel degelijk verschillen tussen de woningen kunnen zijn in bijvoorbeeld onderhoud, luxe of andere factoren die van belang kunnen zijn voor de marktwaarde. De stelling van belanghebbende dat de woningen alle tot dezelfde prijscategorie behoren en hetzelfde type zijn is onvoldoende om te kunnen spreken van identieke woningen, nu de woningen op andere punten (kunnen) verschillen. Aldus heeft belanghebbende niet voldaan aan de bewijslast die op hem rust om aannemelijk te maken dat het gaat om identieke gevallen. De meerderheidsregel is niet geschonden, het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
7. Gelet op de [derde, Hof] overweging zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de waarde van de woning conform het voorstel van de heffingsambtenaar op € 641.000 vaststellen.
(…)
[1] Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch, 1 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1740.
[2] HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8942 en HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489.”