Gerechtshof Den Haag, 17-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2813, BK-25/59 tot en met BK-25/62
Gerechtshof Den Haag, 17-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2813, BK-25/59 tot en met BK-25/62
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 juni 2025
- Datum publicatie
- 19 januari 2026
- Zaaknummer
- BK-25/59 tot en met BK-25/62
- Relevante informatie
- Art. 8:29 Awb, artikel 28, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Inhoudsindicatie
Geheimhouding
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige geheimhoudingskamer
nummers BK-25/59 tot en met BK-25/62
in het geding tussen:
(gemachtigde: I. de Roos)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en bij beschikkingen drie verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting afgewezen.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Rechtbank heeft op 20 december 2024 uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikkingen te verminderen overeenkomstig deze uitspraak;
- draagt verweerder op de rentebeschikking dienovereenkomstig te verminderen en de belastingrente dienovereenkomstig aan te passen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot het bedrag van € 7.122;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft op 3 maart 2025 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan.
Belanghebbende is bij bericht van 6 maart 2025 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren en aan te geven of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende heeft bij bericht van 13 april 2025 op het verzoek van de Inspecteur gereageerd. Aangezien niet alle stukken waarvoor de Inspecteur het verzoek wenste te doen waren bijgesloten, heeft het Hof de Inspecteur bij bericht van 25 april verzocht aan te geven wanneer de Inspecteur dit stuk denkt te kunnen inleveren. De Inspecteur heeft bij bericht van 8 mei 2025 aangegeven dat hij verwacht dit binnen vier weken te kunnen doen. De Inspecteur heeft bij bericht van 5 juni 2025 meegedeeld dat hij de ontbrekende stukken integraal zou overleggen en dat hij het verzoek in zoverre intrekt.
De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen.
Overwegingen
Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de Inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken te verstrekken rechtvaardigen.
De Inspecteur heeft met een beroep op geheimhouding een aantal stukken overgelegd uit de dossiers van twee andere belastingplichtigen, [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , en [naam 3] B.V., waarin [naam 1] de aandelen houdt. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de omzetbelasting die deze belastingplichtigen aan haar in rekening hebben gebracht, in aftrek mag brengen.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep op beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, omdat de desbetreffende stukken alleen belastinggegevens van derden bevatten.
Belanghebbende bestrijdt het standpunt van de Inspecteur. Aangezien het recht op aftrek van voorbelasting op inkopen van deze twee belastingplichtigen is geweigerd, heeft belanghebbende een zwaarwegend belang bij kennisname. De Inspecteur komt pas in hoger beroep met deze stukken, terwijl hij deze kennelijk wel eerder tot zijn beschikking had. Dit bevreemdt belanghebbende en vormt volgens belanghebbende geen correcte gang van zaken. Het is niet de eerste keer dat de Inspecteur in deze zaak op het geding betrekking hebbende stukken niet inbrengt. Dit gebeurde ook met de in bezwaar aangeleverde bewijsstukken, de papertrail. De Inspecteur gaat heel slordig om met het recht van belanghebbende op een eerlijk proces en equality of arms. De geheimhoudingsplicht van de Inspecteur weegt minder zwaar dan het recht op verdediging en een eerlijk proces van belanghebbende. De Inspecteur baseert zijn hoger beroep op de inhoud van de geheim te houden stukken. Het belang dat belanghebbende heeft bij kennisname is groot. Dit geldt des te meer nu het geldelijk belang aanzienlijk is. Belanghebbende verzoekt de slordige manier van procederen van de Inspecteur in de beschouwing te betrekken. De Inspecteur raakt ook in procedures van zustermaatschappijen van belanghebbende stukken kwijt. De Inspecteur heeft niet alleen de omzetbelasting op de inkoopfacturen afkomstig van [naam 1] en [naam 3] B.V. gecorrigeerd of geweigerd, maar op alle inkoopfacturen van belanghebbende. Tot slot verzoekt belanghebbende om een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur.
Het Hof stelt voorop dat binnen het bestek van het verzoek van de Inspecteur uitsluitend een beslissing kan worden genomen over de vraag of het verzoek gerechtvaardigd is, al dan niet deels. Of de procedure eerlijk is verlopen en of consequenties moeten worden verbonden aan de door belanghebbende beschreven slordige wijze van procederen, is aan de zetel die de hoofdzaken zal behandelen. Dit geldt ook voor de kwestie van het (tijdig) inbrengen van alle op het geding betrekking hebbende stukken.
De ingebrachte stukken horen in beginsel niet thuis in dossiers van derden. Het zou een schending van de privacy van de betrokken derden (de andere twee belastingplichtigen) betekenen, indien belanghebbende zonder beperking inzage zou krijgen in deze stukken. De Inspecteur beroept zich in zoverre terecht op zijn geheimhoudingsplicht. Het Hof heeft deze stukken doorgenomen en geconstateerd dat de naam van belanghebbende in het controlerapport inzake [naam 1] voorkomt. Het Hof wijst het verzoek van de Inspecteur af voor zover het betrekking heeft op pagina 9 van dit controlerapport, en wel de vragen en antwoorden die gaan over de facturen die in de administratie van belanghebbende zijn aangetroffen. Het gaat om de passages: (vraag) “Kunt u verklaren (…) zijn gekomen?”, (antwoord) “Dat weet (…) dupe van.”, (vraag) “U zegt (…) kunnen hebben?” en (antwoord) “A[…] (…) niets van.” In een passage in paragraaf 3.2.1, pagina 10 van het controlerapport, komt de naam van belanghebbende ook voor. In de desbetreffende passage komen evenwel ook de namen en gegevens van derden voor, en ook fiscale gegevens van [naam 1] . Het is niet mogelijk om deze passage dusdanig te blinderen, dat belanghebbende precies te zien krijgt wat zij wel mag zien, zonder de privacy van de daar genoemde derden en [naam 1] te schenden. Dan resteren slechts de naam van belanghebbende en een bedrag. Daar de passage betrekking heeft op een ander jaar dan de jaren waarop de hoger beroepen betrekking hebben, komt het Hof tot de conclusie dat de Inspecteur deze passage niet met belanghebbende hoeft te delen. Het belang van de Inspecteur weegt al met al zwaarder dan dat van belanghebbende. In de overige stukken en passages komt de naam van belanghebbende niet voor. Het zou een grove inbreuk op de privacy van deze andere belastingplichtigen vormen om de informatie in deze stukken en passages aan derden, in dit geval belanghebbende, bekend te maken.
De Inspecteur heeft ingestemd met kennisname van de stukken door de zetel die de hoofdzaken zal behandelen. Dit houdt in dat het Hof zal mogen kennisnemen van de inhoud van de stukken, mits belanghebbende hiermee instemt. Indien belanghebbende deze instemming geeft, kan het Hof zich een oordeel over de integrale inhoud vormen en zo het recht op een eerlijk proces waarborgen.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- -
-
wijst het verzoek om beperkte kennisneming af voor zover het ziet op de onder 2.5 bedoelde vragen en antwoorden op pagina 9 van het controlerapport inzake [naam 1] ;
- -
-
wijst het verzoek om beperkte kennisneming voor het overige toe;
- -
-
stelt de Inspecteur in de gelegenheid om binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk mee te delen of hij instemt met bekenmaking van de hiervoor vermelde vragen en antwoorden aan belanghebbende;
- -
-
stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk mee te delen of zij toestemming verleent voor beperkte kennisneming van de overige stukken en passages.
Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd A. van Dongen
De beslissing is op 17 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.