Home

Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2836, BK-24/740 tot en met BK-24/750

Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2836, BK-24/740 tot en met BK-24/750

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17 december 2025
Datum publicatie
2 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2836
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/740 tot en met BK-24/750
Relevante informatie
Art. 12 Wet OB 1968, Art. 15 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968, Art. 24bb Uitv.besl. OB 1968, Art. 15 Wet OB 1968, Art. 7 Wet OB 1968, Wet OB 1968, Uitv. Besl. OB 1968

Inhoudsindicatie

De teruggaafverzoeken omzetbelasting zijn terecht geweigerd, omdat niet aannemelijk is geworden dat de leveringen aan belanghebbende daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Van de door belanghebbende gestelde bewijsnood is geen sprake.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-24/740 tot en met 24/750

in het geding tussen:

[X B.V.] , c.s. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: B.F.M. de Koning)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummers SGR 23/2304 tot en met SGR 23/2314.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft over de periode van maart 2020 tot en met januari 2022 elf keer een maandaangifte omzetbelasting ingediend waarin een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan. In die aangiften zijn de volgende verzoeken om teruggaaf gedaan:

Tijdvak

Teruggaaf

Maart 2020

€ 280.200

Augustus 2020

€ 265.733

December 2020

€ 388.064

Juni 2021

€ 457.631

Juli 2021

€ 570.682

Augustus 2021

€ 266.509

September 2021

€ 95.168

Oktober 2021

€ 155.335

November 2021

€ 271.424

December 2021

€ 202.329

Januari 2022

€ 199.371

1.2.

De Inspecteur heeft de verzoeken om teruggaaf bij beschikkingen afgewezen.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikkingen afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 559. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 6 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In de periode waar de verzoeken om teruggaaf op zien, bestond belanghebbende uit [Holding B.V.] (Holding) en haar beide dochtermaatschappijen [Handel B.V.] ( [Handel] ) en [Beheer B.V.] (Beheer).

2.2.

Op 30 november 2022 is het faillissement van [Handel] uitgesproken. Vanaf dat moment

bestaat belanghebbende nog uit Holding en Beheer.

2.3.

De ondernemingsactiviteiten van [Handel] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:

- Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;

- Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;

- Het in- en verkopen van oude metalen; en

- Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.

2.4.1.

Belanghebbende heeft in haar maandaangiften de in 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf gedaan. De Inspecteur heeft op 9 oktober 2020 (tijdvak augustus 2020), 4 februari 2021 (tijdvak december 2020), 9 augustus 2021 (tijdvak juni 2021), 13 september 2021 (tijdvak juli 2021), 11 oktober 2021 (tijdvak augustus 2021), 9 november 2021 (tijdvak september 2021), 15 december 2021 (tijdvak oktober 2021), 11 januari 2022 (tijdvak november 2021), 9 februari 2022 (tijdvak december 2021) en 9 maart 2022 (tijdvak januari 2022) verzocht om aanvullende informatie bij de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting. In antwoord daarop heeft belanghebbende hem onder meer alle facturen toegezonden die op de transacties in de genoemde elf maanden betrekking hebben. De facturen maken melding van transacties tussen [Handel] en de volgende vier ondernemers:

- [B.V. 1]

- [B.V. 2]

- [B.V. 3]

- de heer [A] , handelende onder de naam [Bedrijf 4]

Belanghebbende verzoekt om een teruggaaf van in totaal € 3.152.446. De verdeling van de voorbelasting van € 3.152.446 per tijdvak en ondernemer is als volgt:

Tijdvak

voorbelasting

ondernemer

Maart 2020

€ 280.200

[B.V. 1]

Augustus 2020

€ 265.733

[B.V. 1]

December 2020

€ 388.064

[B.V. 1]

Juni 2021

€ 457.631

[B.V. 2] en [B.V. 3]

Juli 2021

€ 570.682

[B.V. 2] en [B.V. 3]

Augustus 2021

€ 266.509

[B.V. 3]

September 2021

€ 95.168

[B.V. 3]

Oktober 2021

€ 155.335

[B.V. 3] en [Bedrijf 4]

November 2021

€ 271.424

[Bedrijf 4]

December 2021

€ 202.329

[Bedrijf 4]

Januari 2022

€ 199.371

[Bedrijf 4]

2.4.2.

Volgens de facturen hebben de genoemde vier ondernemers in de vermelde maanden steeds zowel aan [Handel] leveringen verricht, als goederen van [Handel] betrokken. De facturen voor de leveringen aan [Handel] werden door [Handel] opgesteld (‘self-billing’). De facturen ter zake van de leveringen door [Handel] aan de genoemde vier ondernemers werden eveneens door [Handel] opgesteld.

2.5.

Tot de stukken van het geding behoren overeenkomsten tussen [Handel] en de vier ondernemers op grond waarvan maandelijks de op de aan- en verkoopfacturen vermelde en over en weer verschuldigde bedragen werden verrekend.

2.6.

De Inspecteur heeft aanvankelijk de verzoeken om teruggaaf geweigerd, omdat volgens hem de vier hiervoor genoemde ondernemers btw-fraude hadden gepleegd en [Handel] wist of had moeten weten dat zij met de aan- en verkoop van deze goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, althans dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude.

2.7.

Met dagtekening van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voor de beoordeling van de bezwaarschriften, die belanghebbende tegen de weigering had ingediend, nadere informatie nodig te hebben en heeft hij haar gevraagd om:

“ - Alle correspondentie en schriftelijke vastlegging met betrekking tot de quotaties van de orders, de kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of [Handel] , de inspectie van de goederen, vastlegging van het land van herkomst van de goederen en vastlegging van tijdstip en plaats van de leveringen;

- Alle informatie, correspondentie en overige stukken over de wijze waarop deze leveringen tot stand zijn gekomen;

- Alle interne en externe correspondentie met betrekking tot deze leveringen;

- De schriftelijke vastlegging van de leveringen aan [Handel] ;

- Indien is afgeweken van de algemene voorwaarden de schriftelijke vastlegging hiervan;

- Indien mondeling afspraken zijn gemaakt de schriftelijke vastlegging hiervan.”

2.8.

In de e-mail van 25 november 2022 liet de Inspecteur in reactie op een bericht van belanghebbende van de dag ervoor weten dat zijn verzoek om informatie betrekking had “op de beoordeling van de voorbelasting in kwestie” en bood hij haar de gelegenheid alsnog aan het verzoek om informatie te voldoen. Belanghebbende heeft in haar e-mail van 29 november 2022 aan de Inspecteur laten weten dat hij wat haar betreft uitspraak op de bezwaarschriften kon doen op basis van het dossier zoals hem dat op dat moment ter beschikking stond. De daaropvolgende uitnodigingen van de Inspecteur voor een hoorzitting zijn zonder reactie gebleven.

2.9.1.

Bij brief van 3 februari 2023 aan de curator van [Handel] kondigde de Inspecteur aan de bezwaarschriften te zullen afwijzen en gaf hij de motivering daarvoor. In deze brief stelde hij voorop:

“Ik kom tot de conclusie dat [Handel] geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. [Handel] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de materiële vereisten van artikel 15 Wet OB is voldaan. Meer specifiek neem ik het standpunt in dat [Handel] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd aan [Handel] .”

2.9.2.

Voorts handhaafde de Inspecteur, subsidiair, zijn standpunt dat [Handel] had moeten weten dat haar leveranciers btw-fraude pleegden, althans niet alles had gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht had kunnen worden om niet bij dergelijke fraude betrokken te raken. De Inspecteur heeft de bezwaren vervolgens afgewezen.

Onderzoek [naam onderzoek]

2.10.

Het Team Financieel-economische Criminaliteit van de Politie heeft onderzoek gedaan naar onder meer de (handels)activiteiten van [Handel] en de bij deze onderneming betrokken personen en handelspartners.

2.11.

Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:

“Samenvatting

Door [Handel] worden grote sommen geld (in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000) overgemaakt naar de [buitenlandse] bankrekening van [Ltd. 5] uit [buitenland 1] (hierna te noemen: " [Ltd. 5] "). De documentatie doet vermoeden dat deze betalingen zien op goud- en kabelaankopen door [Handel] bij [Ltd. 5] . Op haar beurt lijkt [Ltd. 5] goud en kabel te kopen van [Ltd. 6] (hierna te noemen: " [Ltd. 6] ") van de [buitenland 2] . [Handel] verkoopt het goud en kabel vervolgens door aan een viertal bedrijven in Nederland (en éénmaal aan een bedrijf in [buitenland 3] ). [Handel] koopt bij deze bedrijven juist andere metalen in en verkoopt deze vervolgens door aan [Ltd. 5] , die het op haar beurt weer aan [Ltd. 6] verkoopt. Deze goederenstroom loopt derhalve in tegengestelde richting aan de goud- en kabelstroom. Alle partijen in deze keten hebben overeenkomsten van verrekening met hun handelspartners gesloten. De verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van goud en kabel worden op basis hiervan verrekend met de verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van andere metalen. Vereenvoudigd is deze keten als volgt schematisch weer te geven:

[Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering]

Het ziet er naar uit dat [Handel] , ook na verrekening, meer verschuldigd is aan [Ltd. 5] dan andersom. Over de periode medio 2019 tot en met begin 2022 maakt [Handel] immers in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000 over naar [Ltd. 5] . In diezelfde periode zijn slechts drie overboekingen van [Ltd. 5] naar [Handel] geweest van totaal ruim GPS 252.000. Hierbij dient te worden opgemerkt dat [Handel] en [Ltd. 5] ook contante betalingen kunnen hebben gedaan, maar hierover is op dit moment nog niets te zeggen.

Er zijn echter diverse aanwijzingen dat de goud- en kabel(door-)leveringen in het geheel niet hebben plaatsgevonden of in ieder geval niet in de omvang zoals die wordt voorgesteld:

1. [Handel] heeft geen bedrijfseconomische reden voor de aan- en verkoop van goud, omdat de winst marginaal is;

2. Het door [Handel] aan derden geleverde goud wordt niet doorverkocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;

3. De door derden aan [Handel] geleverde andere metalen worden niet ingekocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;

4. Weegbonnen en transportdocumenten ontbreken;

5. Het door [Handel] ingekochte goud ligt al op de werf van [Handel] ;

6. Transport van andere metalen van [Ltd. 5] naar [Ltd. 6] moet naar het adres van een schoenzolenfabrikant in [buitenland 4] ;

7. Transporten van andere metalen hebben niet plaatsgevonden, dus de goud- en kabeltransporten waarmee wordt verrekend vermoedelijk ook niet;

8. [Ltd. 6] betaalt aan [FZE 7] van [B] (die zoals eerder beschreven in Encrochat en Sky ECC voorkomt met betrekking tot witwassen en verdovende middelen en over geld in [buitenland 5] wil beschikken);

9. [Ltd. 6] betaalt aan [FZCO 8] en [FZCO 9] . Alle drie de bedrijven komen voor in Sky ECC met betrekking tot gefingeerde goudcontracten;

10. [Ltd. 5] komt in Sky ECC onder andere voor met betrekking tot de aankoop van suiker, terwijl [Ltd. 5] en [Handel] niet in suiker handelen.”

2.12.

Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:

“ [Handel B.V.] levert op papier metalen aan [Ltd. 5] , een

onderneming van [C] . Deze metalen moeten in opdracht van [Ltd. 5] worden vervoerd naar het vestigingsadres (postbus) van de onderneming [SRO 10] in [buitenland 6] , welke op papier onder leiding staat van [D] . Transporteurs die door [Ltd. 5] voor deze transporten zijn ingeschakeld betreffen transportondernemingen in [buitenland 6] . Zij zijn benaderd door de autoriteiten in [buitenland 6] en geconfronteerd met de transportdocumenten. Zij ontkennen dat de transportdocumenten van hen zijn en dat zij de transporten hebben uitgevoerd. Zij geven ook aan geen zakelijke relatie met [Ltd. 5] en/of [Handel B.V.] te onderhouden.

[Ltd. 5] heeft op papier de metalen doorverkocht aan [Ltd. 6] , een onderneming welke op papier onder leiding staat van [D] .

[Ltd. 5] verkoopt goud aan [Handel B.V.] . Er zijn wel facturen en afleverbewijzen aangetroffen van deze verkopen maar geen transportdocumenten. Gebleken is dat [Handel B.V.] dit goud heeft doorverkocht aan ondernemingen in Nederland. De Belastingdienst heeft getracht deze handel te verifiëren in de administraties van deze ondernemingen maar de administraties van deze ondernemingen zijn niet aangetroffen, onvolledig en/of verdwenen.

Uit analyse van de bankrekeningen van deze ondernemingen zijn geen ontvangsten uit de verkopen van goud gebleken. Daarmee wordt het vermoeden versterkt dat goudleveringen niet hebben plaatsgevonden. Voornoemde Nederlandse ondernemingen zijn veelal ook de ondernemingen waar [Handel B.V.] haar metalen heeft ingekocht die zij doorverkoopt aan [Ltd. 5] .

(…)

Transportondernemingen in [buitenland 6] ( [Transportonderneming 11] , [Transportonderneming 12] en [Transportonderneming 13] ), welke door [Ltd. 5] zouden zijn ingehuurd voor transport van handel met/van [Handel B.V.] naar [SRO 10] , zijn geconfronteerd met transportdocumenten. Alle drie geven aan dat zij de transporten niet hebben uitgevoerd, geen relatie hebben met [Handel B.V.] en/of [Ltd. 5] en dat de stempels op de CMR documenten niet van hen zijn.

Een transportonderneming in [buitenland 4] ( [Transportonderneming 14] ), welke door [Ltd. 5] zou zijn ingehuurd voor handel met [B.V. 15] naar [SRO 10] , geeft aan dat transporten wel zijn uitgevoerd maar dat de materialen zijn afgeleverd bij [B.V. 1] in Nederland en niet in [buitenland 6] zoals het CMR-document vermeldt. [E] zou de vertegenwoordiger van [Ltd. 5] zijn en hij voerde alle contacten met [Transportonderneming 14] .

De transporten in opdracht van [Ltd. 5] vermelden op de transportdocumenten dat de materialen afgeleverd moeten worden bij [SRO 16] (danwel [SRO 10] / [SRO 17] ) in [buitenland 6] op het adres van deze onderneming, te weten [adres] in [buitenlandse woonplaats] . Deze locatie betreft een virtueel kantoor zonder opslagruimtes. Uit het controlesysteem voor btw-nummers (VIES) zijn geen aangiftes van goederen of diensten van de andere lidstaten voor deze onderneming gebleken. De Belastingdienst in [buitenland 6] heeft geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.”

2.13.

Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer […] vermeldt onder meer:

“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [ [Handel] ] (…)

Tijdens deze doorzoeking is administratie in beslag genomen, waaronder administratie uit het kantoor van [F] (…).

Op de grote tafel werd een stapel papieren aangetroffen en in beslaggenomen (…). Het grootste deel van deze stapel papieren betroffen 69 leveringsbonnen.

De leveringsbonnen betreffen bewijzen dat door [Handel] goederen zijn geleverd aan een afnemer. Zowel de leverancier als de afnemer dienen voor de levering te tekenen. Alle leveringsbonnen zijn blanco op de naam en de handtekening van de afnemer na. De afnemer op alle leveringsbonnen is [G-1] . Onder zijn naam staat een handtekening. Als de naam [G-2] in blauwe kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in de blauwe kleur. Als de naam [G-1] in zwarte kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in zwarte kleur.

Alle handtekeningen lijken op elkaar, met dien verstande dat meestal de handtekening uit de letters T en F bestaat en enkele malen is de volledige naam van [G] in de handtekening verwerkt.

Uit bovenstaande blijkt dat [G-1] kennelijk al getekend voor de ontvangst van goederen afkomstig van [Handel] die nog niet geleverd zijn.”

Bevindingen [B.V. 1]

2.14.1.

Van 3 januari 2020 tot en met 8 april 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van metalen van [B.V. 1]

2.14.2.

Bestuurders van [B.V. 1] waren van 26 november 2019 tot en met 1 januari 2020 [B.V. 18] , van 1 januari 2020 tot en met 1 april 2021 de heer [G-1] en vanaf 1 april 2021 [Stichting 19] . Bestuurder van [Stichting 19] is de heer [H] .

2.14.3.

Aandeelhouder van [B.V. 1] was van 26 november 2019 tot en met 23 juni 2020 [B.V. 18] en van 23 juni 2020 tot en met 1 juli 2021 [B.V. 18] voor 25% en de heer [G-1] voor 75%. Directeur en aandeelhouder van [B.V. 18] is de heer [I] .

2.14.4.

Op 27 september 2021 is bij de KvK geregistreerd dat [B.V. 1]

is ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit. In het Handelsregister van de KvK is opgenomen "op 27-09-2021 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1-7-2021".

2.15.1.

Tijdens de doorzoeking bij [Handel] zijn diverse weegbonnen aangetroffen waarbij is aangegeven dat [B.V. 1] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar belanghebbende. Deze weegbonnen zijn blauw van kleur en er staat "Origineel" op geschreven. Achter diverse weegbonnen zitten witte weegbonnen met dezelfde gegevens, echter met een andere opdrachtgever dan [B.V. 1] De opdrachtgevers zijn dan [Bedrijf 20] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 21] .

2.15.2.

Daarnaast werd in de kantoorruimte van [F] blanco briefpapier van [B.V. 1] aangetroffen.

2.15.3.

Tijdens de doorzoeking bij belanghebbende zijn ook diverse CMR’s aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] staat hierover het volgende vermeld:

“Een CMR bestaat uit 4 delen:

Deel 1: rode opdruk voor afzender

Deel 2: blauwe opdruk voor ontvanger

Deel 3: groene opdruk voor vervoerder

Deel 4: zwarte opdruk voor tweede vervoerder (indien aanwezig)

Uit de aangetroffen CMR's blijkt dat telkens [SRO 17] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar [Handel] . De transporten zijn uitgevoerd door:

(…)

Opvallend is dat zowel deel 1 (bedoeld voor de afzender/opdrachtgever), deel 3 (bedoeld voor de vervoerder) en deel 4 (voor een eventuele tweede vervoerder) aanwezig waren, terwijl deel 2 (voor de ontvanger) bij verreweg de meeste CMR's ontbreken.

Deel 1 zou in het bezit moeten zijn van [SRO 17] .

Deel 2 zou in het bezit moeten zijn van [Handel] .

Deel 3 en 4 zouden in het bezit moeten zijn van de vervoerders. (…)”

2.16.

Uit de bankrekeningen van [B.V. 1] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.

Bevindingen [B.V. 2]

2.17.

Van 1 april 2021 tot en met 26 juli 2021 heeft belanghebbende self-billing

facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 2] Enig aandeelhouder en bestuurder sinds de oprichting is [J] .

2.18.

Op 12 december 2022 en 26 januari 2023 is [J] verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] . [J] heeft verklaard dat hij een katvanger is en niets weet van belanghebbende. [J] verklaart dat hij niet weet wat de naam van zijn onderneming is en geeft aan de onderneming nooit te hebben gezien. [J] verklaart niets af te weten van de self-billing facturen van [Handel] . Ook verklaart hij dat de handtekeningen op de

documenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn. [J] geeft aan niets te weten van de handel met belanghebbende en geeft aan ook geen koopovereenkomst te zijn aangegaan met [Handel] . Hij heeft geen kennis van de leveringen van [B.V. 2] aan belanghebbende. Met betrekking tot de stempel op de overeenkomst tussen [Handel] en [B.V. 2] verklaart [J] dat hij deze stempel nooit heeft gezien.

2.19.1.

In een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer […] staat onder meer:

“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [Handel B.V.] (hierna: [Handel] )

(…)

In voornoemde kantoorruimte zijn diverse documenten aangetroffen met betrekking tot de onderneming [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ).

(…)

Blanco CMR documenten

Oordeel van de Rechtbank

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing