Home

Gerechtshof Den Haag, 18-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2866, BK-25/54

Gerechtshof Den Haag, 18-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2866, BK-25/54

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18 november 2025
Datum publicatie
10 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2866
Zaaknummer
BK-25/54
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag bpm. Vertrouwensbeginsel. Expliciete standpuntbepaling. Vernietiging naheffingsaanslag. Toekenning vergoeding van immateriële schade.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/54

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8379.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 428 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.276 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Golf 1.5 TSI Life (de auto). De datum van eerste toelating is 22 april 2021.

2.2.

In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 31.262 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.775. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.510 in mindering gebracht wegens schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 11.265. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 3.542 (CO2-uitstoot van 123 gr/km).

2.3.

De RDW heeft de auto op 5 januari 2022 gekeurd. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 132 gr/km (WLTP).

2.4.

De Inspecteur heeft een bedrag van € 428 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 132 gr/km (WLTP). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.730.

2.5.

In het verweerschrift in eerste aanleg met dagtekening 26 april 2024 heeft de Inspecteur onder meer het volgende geschreven:

“(…)

4.1

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Er is inmiddels een wijzing van de CO2-uitstoot geweest in het kentekenregister. Door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden. De wijziging is doorgevoerd in OVI (RDW-applicatie) op 29 februari 2024.

4.2

Is belanghebbendes aangifte juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

4.3

Is de historische nieuwprijs juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

5. Conclusie

Het beroep is gegrond.

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Beoordeling van het geschil

7. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de vermindering die voortvloeit uit de verlaging van de CO2-uitstoot in beginsel ertoe zou leiden dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

8. Verweerder doet in verband met voornoemde vernietiging een beroep op interne compensatie. Daartoe stelt verweerder – kort gezegd – dat het taxatierapport dat ten grondslag ligt aan de aangifte van eiseres van bewijs dient te worden uitgesloten vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport kleven, en dat, nu er evenmin een adequate koerslijst beschikbaar is, had moeten worden nageheven op basis van een afschrijving bepaald met toepassing van de forfaitaire tabel. Alsdan is de naheffingsaanslag ondanks dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd, niet te hoog en is het beroep daarom ongegrond, aldus verweerder. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

9. Eiseres heeft bij het doen van aangifte het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde die wordt gebruikt ter bepaling van de afschrijving moet worden verminderd vanwege – niet in de gehanteerde koerslijst (in casu XRAY-rental) verwerkte – beschadigingen aan de auto. Verweerder betwist nu in zijn nader stuk alsnog dat de schade aan het voertuig tot het in het taxatierapport van eiseres opgenomen schadebedrag kan worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Eiseres draagt alsdan de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen aan het voertuig een waardedaling ten opzichte van de uit de gehanteerde koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.[1]

10. Eiseres heeft verwezen naar het taxatierapport dat in haar opdracht bij gelegenheid van de aangifte is opgemaakt. Daarin is de schade naar haar mening duidelijk beschreven. Verweerder betoogt in beroep dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:

- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; dat daarvan sprake is, is niet controleerbaar en ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (15 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:

▪ wielophanging : redelijk

▪ velgen en banden : redelijk

▪ stuurinrichting : redelijk

▪ remmen : redelijk

▪ motor : goed werkende staat

▪ versnellingsbak en aandrijving : redelijk

▪ elektrische installatie : redelijk

▪ carrosserie : beschadigde staat

▪ interieur : redelijke staat

▪ algehele staat : bovenmatige schade

-

Er zijn 44 foto’s gemaakt, die zeer sterk zijn ingezoomd en waarvan een deel onscherp is afgedrukt, en waar op een aantal foto’s de auto is voorzien van krijtstrepen om gestelde schade aan te tonen.

-

Er is niet duidelijk of en hoe met gebruikerssporen rekening mee is gehouden.

-

Er is door de taxateur géén onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele aanwezige schade terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig en terwijl de taxateur wel € 5.568,95 aan schade heeft gecalculeerd en vastgesteld dat daarvan 85% in mindering kan worden gebracht.

-

Er wordt zonder duidelijke berekening of motivering meer dan 72% van de schade in mindering gebracht op de waarde.

-

Er wordt een waardevermindering gesteld van 10% (€ 1.778) voor een schadeverleden zonder enige deugdelijke onderbouwing.

-

De waarde in onbeschadigde staat is vastgesteld op basis van een koerslijst van XRAY-rental (dus van een ex-rental voertuig) terwijl niet is aangetoond dat sprake is van een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt.

-

Er worden posten als schade opgenomen in de schadecalculatie die geen schade betreffen, zoals expertisekosten, Nederlandse onderhoudsboekenpakket en Nederlandse software programmeren.

-

Er is geen sprake van een taxatie/opname in de staat waarin de auto ten hoogste één maand vóór het tijdstip dat de bpm is verschuldigd verkeert.

-

Uit de door eiser overgelegde inkoopfactuur blijkt dat het voertuig op 23 december 2021 is aangekocht door eiseres voor een bedrag van € 16.050. Dat betekent dat eiseres in feite minimaal € 17.326 (€ 16.050 plus € 1.276 bpm) (exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat en – uitgaande van het schadebedrag van € 5.568 – feitelijk een bedrag van minimaal € 22.894 (exclusief p.m.), terwijl de taxateur aangeeft dat de auto slechts € 11.265 (inclusief btw en Bpm en schade) waard is.

11. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, vanwege al de hiervoor genoemde punten, in onderlinge samenhang bezien en meer in het bijzonder ook de punten over de voor de opname gebruikte tijd, het niet duidelijk gemaakt zijn van hoe is omgegaan met gebruikersschade, het in aanmerking nemen van een vermindering wegens een schadeverleden zonder enige toelichting of onderbouwing en het zonder enige toelichting of onderbouwing uitgaan van een koerslijst voor een ex-rental voertuig, aan het taxatierapport van eiseres geen bewijskracht toekomt en dat op basis daarvan dan ook geen schade kan worden vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de hiervoor genoemde punten die twijfels doen rijzen over de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van het taxatierapport. Ook acht de rechtbank van belang de door verweerder geschetste discrepantie tussen enerzijds het aankoopbedrag van € 17.326 (inclusief Bpm) danwel (inclusief ook schade) € 22.894) en de in het taxatierapport vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 11.265; ook dat draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat het taxatierapport niet betrouwbaar en onbruikbaar is.

12. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van de aangifte schade (niet zijnde normale gebruiksschade) op de auto bevond. Behoudens (de constateringen in) het taxatierapport, heeft zij dienaangaande niets, althans in ieder geval niet voldoende gesteld en/of overgelegd om enige schade op dat moment aannemelijk te maken. Op de foto’s van het voertuig in het dossier is ook geen (noemenswaardige) schade te zien, in ieder geval geen schade waarvoor de kwalificatie ‘normale gebruiksschade’ niet passend zou zijn. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op beleid binnen de autobranche en stelt dat DRZ dit beleid niet heeft gevolgd en dat verweerder daarom de schade onvoldoende heeft betwist, volgt de rechtbank eiseres daarin niet, reeds omdat DRZ en verweerder aan een binnen de autobranche bestaand beleid niet gebonden zijn.

Dat verweerder de (taxatie van eiseres van de) auto niet heeft laten controleren door DRZ, maakt het vorenstaande niet anders. Dit neemt immers niet weg dat de bewijslast van gestelde schade op eiseres rust; zij moet aannemelijk maken dat de gestelde schade aanwezig is en terecht in aanmerking is genomen. Ook heeft eiseres geen enkel bewijs aangedragen van de door haar gebezigde aannames dat sprake is van een schadeverleden dat een waardevermindering rechtvaardigt en dat sprake is van een verleden als ex-rental dat een waardevermindering rechtvaardigt. Eiseres is aldus voor geen enkel punt op basis waarvan zij een waardevermindering heeft geclaimd in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

13. Verweerder bepleit vervolgens terecht dat het gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is.[2] Immers, er is met het verwerpen van het taxatierapport van eiseres geen taxatierapport van de auto meer voorhanden. Alsdan kan de taxatiemethode ook niet (meer) worden toegepast en moet, naar verweerder ook stelt, in beginsel worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.

14. Voor toepassing van de koerslijstmethode is, naar verweerder terecht stelt, vereist dat er een adequate (complete) uitdraai van een juiste koerslijst tot de gedingstukken behoort. Daarvan is hier geen sprake. Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig – dat wil zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt – is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig) ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast.

15. Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht concludeert dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel, ook bij de aanpassing van de CO2-uitstoot als hiervoor benoemd, leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is. De rechtbank honoreert het beroep van verweerder op interne compensatie. De verlaging van de CO2-uitstoot, resulteert daarom niet in een verlaging of vernietiging van de naheffingsaanslag.

16. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt dit beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe het volgende.

17. In het verweerschrift heeft verweerder in dit verband – voor zover van belang – het volgende geconcludeerd en vermeld:

“4.1 Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Er is inmiddels een wijzing van de CO2-uitstoot geweest in het kentekenregister. Door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden. De wijziging is doorgevoerd in OVI (RDW-applicatie) op 29 februari 2024.

4.2

Is belanghebbendes aangifte juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

4.3

Is de historische nieuwprijs juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.”

De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee een duidelijk standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de CO2-uitstoot. Daaraan is de bewuste conclusie ‘vernietiging van de naheffingsaanslag’ verbonden. Bij de overige geschilpunten – waaronder begrepen de juistheid van eiseres haar aangifte en daarmee dus ook de (omvang van de) in aanmerking te nemen schade – heeft verweerder aangegeven dat hij aan de beantwoording daarvan niet toekomt vanwege de conclusie met betrekking tot het primaire geschilpunt, zijnde de CO2-uitstoot. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift is dus specifiek beperkt tot het bewuste geschilpunt over de CO2-uitstoot. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling ‘door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden’, maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de CO2-uitstoot. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

18. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van eiseres om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.

(…)

[1] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.

[2] Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31, alsook HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing