Gerechtshof Den Haag, 13-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:125, BK-25/387
Gerechtshof Den Haag, 13-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:125, BK-25/387
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Datum publicatie
- 10 februari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:5399, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-25/387
- Relevante informatie
- Art. 67e AWR, Art. 4.43 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslag IB/PVV. Vergrijpboete. Art. 67e AWR. Winstuitdeling door het verstrekken van een optierecht met een prijsmechanisme. Geen (voorwaardelijk) opzet, wel grove schuld. Vergrijpboete verminderd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/387
in het geding tussen:
(gemachtigde: J.C. Schuurmans)
en
(vertegenwoordiger: [...] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 maart 2025, nummer SGR 23/5540.
Procesverloop
Aan belanghebbende is over het jaar 2018 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.840 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 218.120 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 3.458 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente) en een vergrijpboete van € 17.500 opgelegd (de vergrijpboete).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslag, de beschikking belastingrente en de vergrijpboete gedeeltelijk gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 142.840 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op € 196.620. De belastingrente is verminderd tot € 2.926. De vergrijpboete is verminderd tot € 10.000.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 januari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. Het tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de Rechtbank bij uitspraak van 10 mei 2024 gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld en heeft bij de thans bestreden uitspraak van 21 maart 2025 als volgt geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de opgelegde vergrijpboete;
- vermindert de vergrijpboete tot € 8.500;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft op 16 juli 2025 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 10 oktober 2025. De Inspecteur heeft op 16 oktober 2025 een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende was in gemeenschap van goederen gehuwd met [A] (de echtgenote). De echtgenote is op [overlijdensdatum] 2021 overleden.
Tot de gemeenschap van goederen behoorden alle aandelen in [B.V. 1] alsmede – via een Stichting Administratiekantoor – 98,88% van de certificaten van aandelen in [Holding BV] . [B.V. 1] hield in 2018 alle aandelen in [B.V. 2] . Holding BV hield alle aandelen in [B.V. 3] . Belanghebbende was bestuurder van [B.V. 1] , de Stichting Administratiekantoor, Holding BV en [B.V. 3] .
[B.V. 1] is met ingang van 28 mei 2013 als verkrijgende vennootschap een juridische fusie aangegaan met [B.V. 4] als verdwijnende vennootschap.
Op 30 augustus 2013 is tussen belanghebbende als verhuurder en [B.V. 3] als huurder een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats] (het kantoor). De overeengekomen ingangsdatum is 1 december 2013 (of zoveel eerder als mogelijk) en de overeengekomen huur bedraagt € 81.860 exclusief omzetbelasting. Direct aan het kantoor grenst het woonhuis van belanghebbende aan de [adres 2] (de woning).
Het kantoor is eigendom van [B.V. 1] geworden en in 2014 opgeleverd. De stichtingskosten bedroegen € 1.519.369 voor het gehele pand (het kantoor en de woning tezamen). [B.V. 1] heeft de hiervoor onder 2.4 genoemde huurovereenkomst met [B.V. 3] voortgezet.
Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport van 6 september 2010, opgesteld door [B] namens [Taxateur 1 B.V.] , waarin de woning en het kantoor zijn getaxeerd. Het taxatierapport is opgesteld ten behoeve van de aanvraag van een (hypothecaire) geldlening. De economische huurwaarde is vastgesteld op € 81.860. In het taxatierapport is voorts onder meer vermeld:
“K . HUURSITUATIE
1. Huidige situatie
a. Volgens opgave van : Opdrachtgever /eigenaar
wordt het object thans verhuurd : zal het kantoor worden verhuurd aan [B.V. 5] , welke onderneming is gelieerd aan [ [B.V. 4] ] welke bedrijven weer toebehoren aan [belanghebbende].
(...)