Home

Gerechtshof Den Haag, 08-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:133, BK-24/300

Gerechtshof Den Haag, 08-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:133, BK-24/300

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
8 januari 2026
Datum publicatie
19 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:133
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/300
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 7:4 Awb

Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen uitstel zitting rechtbank wegens ziekte gemachtigde. Art. 40 Wet WOZ. Toezendplicht niet geschonden. Art. 17 Wet WOZ. De waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Verzoek uitbetaling proceskostenvergoeding en griffierechten op rekening gemachtigde afgewezen.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/300

in het geding tussen:

(gemachtigde: G. Gieben)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 februari 2024, nummer SGR 22/7008.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 596.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 oktober 2025. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit 2007 en beschikt over drie bouwlagen en twee dakkapellen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 349 m2 en het gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 162 m2.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld:

“Verzoek tot uitstel van de zitting

1. De gemachtigde van belanghebbende heeft de ochtend van de zitting schriftelijk aan de rechtbank bericht dat hij vanwege ziekte niet aanwezig is bij de zitting, daarbij heeft hij tevens een verzoek tot uitstel ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, nu het op de weg van gemachtigde had gelegen zorg te dragen voor vervanging. Dat gemachtigde geen vervanging kon regelen, komt, gelet op de omvang van diens organisatie, voor zijn rekening en risico te komen.

Waarde van de woning

2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 569.000.

3. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. In tegenstelling tot wat belanghebbende stelt, zijn de vergelijkingsobjecten gelegen in dezelfde wijk als de woning. Met de scheurvorming heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden door in de matrix uit te gaan van een matige staat van de woning. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het perceel ondoelmatig is en dat hiermee in de waardering rekening moet worden gehouden. De blote stelling van belanghebbende dat het huis te groot is in verhouding tot de tuin, is hiervoor onvoldoende. De heffingsambtenaar heeft tot slot 28 m² van het perceel op nihil gewaardeerd omdat dit deel van het perceel sloot is. Hij heeft de grootte van de sloot op het perceel van belanghebbende onderbouwd aan de hand van een luchtfoto en kadastrale kaart.

Overleggen van stukken

5. Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase diverse stukken had moeten verstrekken waarover hij beschikte en waarmee belanghebbende de juistheid van de vastgestelde waarde kan controleren, dan wel waarmee de vastgestelde waarde inzichtelijk wordt gemaakt. De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarfase het taxatieverslag met daarop drie referentiewoningen aan belanghebbende is toegezonden.

6. De heffingsambtenaar heeft verklaard geen gebruik te maken van grondstaffels, liggingsfactoren, indexeringscijfers van de onderbouwingen naar de waardepeildatum en KOUDV-factoren. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Deze gegevens konden dus niet aan belanghebbende worden verstrekt. Belanghebbende heeft ook om de waardering van de bijgebouwen verzocht. De heffingsambtenaar is niet verplicht om deze te verstrekken. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de juiste bedragen van samenstellende onderdelen van het object zijn vastgesteld, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aan zijn verplichting van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ voldaan, ook in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023.[2]

7. Ook is de rechtbank niet gebleken van schending van het motiveringsbeginsel dan wel schending van enig ander rechtsbeginsel. De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op de gronden van belanghebbende.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.

[2] Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing