Home

Gerechtshof Den Haag, 21-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:134, BK-25/500 en BK-25/501

Gerechtshof Den Haag, 21-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:134, BK-25/500 en BK-25/501

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
23 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:134
Formele relaties
Zaaknummer
BK-25/500 en BK-25/501
Relevante informatie
Art. 10 Wet LB, Art. 11 Wet LB, Art. 13a Wet LB, Art. 3.146 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019. Art. 10 en 13a Wet LB 1964; art. 3.146 Wet IB 2001. Stamrechtuitkeringen en managementvergoedingen van holdingvennootschap. Stamrechtuitkeringen niet in geschil. Managementvergoedingen terecht en tot de juiste bedragen als loon in aanmerking genomen. Managementvergoedingen door holdingvennootschap als loon in aanmerking genomen en loonheffingen ingehouden en afgedragen. Geen fout in aangiften IB/PVV. Achteraf wijzigen hoogte managementvergoedingen leidt tot negatief loon in jaar van wijziging en doet niet af aan genietingsmoment in onderhavige jaren.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/500 en BK-25/501

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: [...] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 juni 2025, nummers SGR 24/3622 en SGR 24/3623.

Procesverloop

1.1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.360 (de navorderingsaanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente voor een bedrag van € 1.181 in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2018).

1.1.2.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.178 (de navorderingsaanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente voor een bedrag van € 658 in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 november 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6.

Belanghebbende heeft na afloop van het onderzoek ter zitting, op 11 december 2025, een pleitnota ingediend met het verzoek deze tot de gedingstukken te rekenen. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 16 december 2025 medegedeeld dat het onderzoek ter zitting op 4 november 2025 is gesloten, dat de door belanghebbende beschreven omstandigheden het Hof geen aanleiding geven het onderzoek te heropenen en dat het Hof daarom geen acht zal slaan op de pleitnota.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951. Hij ontvangt vanaf 1 januari 2017 een AOW-uitkering.

2.2.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschappen [Holding BV] (Holding BV) en [Pensioen BV] (Pensioen BV). Hij heeft in 1997 bij Pensioen BV een stamrecht ondergebracht.

2.3.

Belanghebbende heeft gedurende de jaren 2018 en 2019 werkzaamheden verricht voor Holding BV.

2.4.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 aangiften IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 66.765 en € 64.284. Tot het aangegeven inkomen uit werk en woning behoren looninkomsten afkomstig van Holding BV (de managementvergoeding). Belanghebbende heeft geen inkomen uit Pensioen BV aangegeven.

2.5.

De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 zijn opgelegd conform de ingediende aangiften.

2.6.

In een e-mail van belanghebbende van 20 augustus 2021, waarin belanghebbende vragen van de aanslagregelend ambtenaar voor de vennootschapsbelasting (de inspecteur vennootschapsbelasting) beantwoordt, staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Nogmaals er wordt niet afgezien van rechten, en ik ben best bereid om alsnog de uitkering vanaf 1 maart 2020 in te laten gaan, eerder lijkt mij niet terecht gezien mijn full time job die ik tot november 2020 heb gehad.”

2.7.

In een e-mail van 13 september 2021, waarin belanghebbende vragen van inspecteur vennootschapsbelasting beantwoordt, staat het volgende vermeld (de antwoorden van belanghebbende zijn schuingedrukt):

“In 1997 heeft u een ontslagvergoeding ontvangen waarvoor een stamrecht is aangekocht bij [Pensioen BV] . Als ik het goed begrijp is het gestorte kapitaal vervolgens uitgeleend aan [Holding BV] . Wat heeft [Holding BV] daar vervolgens mee gedaan? Welke activiteiten heeft zij gestart? Zijn deze activiteiten gestart in de Holding zelf of in een andere BV? Indien deze activiteiten zijn gestart in een andere BV, wat is de naam van die BV?

[Holding BV] is houdstermaatschappij van [Naam bedrijf] , binnen [Naam bedrijf] zitten twee participaties in respectievelijk [BV 1] en [BV 2] , twee strandpaviljoens in [woonplaats] . [Naam bedrijf] heeft daarnaast als activiteit projectmanagement een activiteit die ik zelf tot november 2020 heb

uitgevoerd voor steden als [stad 1] , [stad 2] e.d.

(...)

De stamrechtuitkeringen hadden uiterlijk op uw pensioenleeftijd moeten ingaan, Nu dit niet is gebeurd, is sprake van afzien van rechten en zou de aanspraak naar de waarde in het

economisch verkeer in één keer moeten worden belast. Ik wil u echter wel in de gelegenheid

stellen om het te lang uitstellen van de uitkeringen te herstellen. Graag verneem ik van u hoe

u dat wilt doen.

Normaal gesproken zou dit tegenwoordig vanaf je 67ste moeten gebeuren. Vanwege de actieve arbeid als directeur stadsontwikkeling in [stad 2] tot mijn 69ste is de uitkering uitgesteld.

2.8.

De aanslagregelend ambtenaar voor de inkomstenbelasting is bij e-mail van 4 januari 2022 door de inspecteur vennootschapsbelasting ervan op de hoogte gesteld dat het bij Pensioen BV ondergebrachte stamrecht in 2017 had moeten ingaan. Deze e-mail luidt als volgt:

“Ik heb [Pensioen BV] behandeld. Daar is uitgekomen dat in 2017 het stamrecht al had moeten ingaan. We hebben na een lang traject afgesproken het een en ander te herstellen en niet de gehele toezegging in 2017 te belasten. Voor de IH betekent dat, dat in 2018 t/m 2020 moet alsnog een stamrechtuitkering van € 22.894 meegenomen worden. Ik heb de laatste mail bijgevoegd, wat alles onderbouwd. Ik wil je erop wijzen dat [belanghebbende] er niets van begrijpt en de aangiften zelf doet (hij dacht ook het loon uit [Holding BV] om te kunnen ruilen voor stamrechtuitkering vanuit Pensioen BV). Dus wellicht is het handig een behandelvoornemen op te nemen voor 2021 ev.”

2.9.

In een e-mail van 8 december 2021 van de inspecteur vennootschapsbelasting aan belanghebbende is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(...) in uw geval hadden de lijfrenteuitkeringen uiterlijk in het jaar van de AOW leeftijd in moeten gaan, 2017 dus. De uitkeringen zijn niet ingegaan, er is daardoor niet voldaan aan de voorwaarden van het (toenmalige) artikel 11 Wet LB. Op grond van artikel 19b LB leidt het niet voldoen aan de voorwaarden tot heffing ineens over de volledige waarde van de aanspraken en tot heffing van 20% revisierente over datzelfde bedrag. In dit geval leidt dat tot een navordering IB 2017 over de waarde van de voorziening per 31-12-2017 € 414.778 en revisierente € 82.955.

Om u tegemoet te komen, hebben wij voorgesteld om een en ander te herstellen naar de situatie zoals die had moeten zijn. Er is geen enkele wettelijke bepaling op grond waarvan wij dit moeten doen. Wij hebben echter vanwege de omstandigheden van dit geval aangegeven, bereid te zijn om van die aanslag af te zien, mits een en ander hersteld wordt naar de situatie zoals die had moeten zijn. Indien u niet aan dit herstel wil meewerken, kunnen wij niet anders dan de navordering 2017 met revisierente opleggen. Zoals we ook al tijdens de bespreking zeiden: het is het één of het ander. Meer opties zijn er niet.

U komt nu met een tegenvoorstel. Echter, zoals hiervoor aangegeven, er is geen ruimte voor tegenvoorstellen. Het is ofwel heffen over alles in 2017 ofwel herstellen naar de juiste situatie.

(...)

De 2 opties zijn dan:

1) navordering IB 2017 over € 414.778 en € 82.955 revisierente

2) herstel: navorderen IB 2017 en latere jaren naar een levenslange uitkering van € 22.894 en een navordering VPB 2017 ivm vrijval € 107.525.”

2.10.

Belanghebbende heeft in zijn e-mail van 21 december 2021 ermee ingestemd dat de bovengenoemde optie 2 wordt gekozen, maar verschilt van inzicht over de invulling van het herstel. Per e-mail van 4 januari 2022, voor zover hier van belang, schrijft de inspecteur vennootschapsbelasting aan belanghebbende:

“U geeft aan akkoord te gaan met de herstelstappen. U schrijft daarnaast: “Om een en ander in balans te laten, tenslotte wordt er geen extra geld uitgekeerd aan privé, hebben we als oplossing gevonden dat het managementfee voor 2018-2019 en 2020 wordt verlaagd met € 22.894. (...) Hierdoor verandert, behalve de vrijval in [Pensioen BV] in 2017, bij [Holding BV] en in de IB relatief weinig. Vanaf 2021 zal wel direct vanuit [Pensioen BV] de uitkering betaald worden aan Privé.” Hieruit maak ik op dat u nog steeds niet begrijpt dat u de [Pensioen BV] apart moet zien van de Holding . De pensioen BV heeft niets te maken met uw beloning voor uw werkzaamheden voor de Holding en de Holding heeft niet te maken met uw recht op pensioen . U kunt niet de ene uitkering uitwisselen voor de andere uitkering.”

2.11.

De Inspecteur heeft bij brief van 14 januari 2022 belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om de navorderingsaanslagen 2018 en 2019 op te leggen. Voor beide jaren wordt een correctie stamrechtuitkering van € 22.894 aangekondigd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“14. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser voorgestane herstelmethode niet mogelijk. Het voorstel van eiser vindt geen steun in de feiten noch in de wet. Eiser wil met terugwerkende kracht de in 2018 en 2019 van Holding BV ontvangen managementvergoeding verlagen. Daar bestaat echter geen aanleiding voor; dat die managementvergoeding te hoog was, volgt uit niets. De door eiser van Holding BV ontvangen managementvergoeding staat los van de stamrechtuitkering die hij van Pensioen BV had moeten ontvangen. Het voorstel van eiser miskent dat sprake is van verschillende vennootschappen en verschillende titels van betaling of vordering. Rechten en plichten van verschillende rechtspersonen kunnen niet willekeurig worden uitgewisseld. Verweerder heeft in correspondentie aan eiser vóór de oplegging van de navorderingsaanslagen al meermaals uitgelegd dat de keuze voor optie 2 niet zonder navordering inkomstenbelasting kan. Het alternatief was een heffing ineens over de hele stamrechtaanspraak in 2017, waar eiser uitdrukkelijk niet voor heeft gekozen. De stelling van eiser dat er geen dekking is voor de stamrechtuitkeringen over 2018 en 2019, wat verweerder betwist, doet voor de juistheid van de navorderingsaanslagen niet ter zake. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

15. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

16. Voor zover eiser stelt dat hij de navorderingsaanslagen niet kan betalen overweegt de rechtbank dat invordering de bevoegdheid is van de ontvanger van de belastingdienst en niet van de inspecteur. Voor een betalingsregeling dienst eiser zich dan ook tot de ontvanger te wenden.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing