Gerechtshof Den Haag, 08-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:182, BK-25/545
Gerechtshof Den Haag, 08-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:182, BK-25/545
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 januari 2026
- Datum publicatie
- 2 maart 2026
- Zaaknummer
- BK-25/545
Inhoudsindicatie
Art. 3:81 Wet IB 2001. Art. 10 Wet LB 1964. Art. 6.1, lid 1, aanhef en onder a, Wet IB 2001. Art. 6.17 Wet IB 2001. Negatief loon in verband met WIA-uitkering niet aannemelijk gemaakt. Aftrek van specifieke zorgkosten terecht gecorrigeerd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/545
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 mei 2025, nummer SGR 24/8027.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.619. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 130 belastingrente in rekening gebracht.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2022 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.467. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 126.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is € 51 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 143 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 18 juli 2025, 25 augustus 2025, 10 september 2025, 12 november 2025 en op 17 november 2025 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Na de sluiting van de zitting is van belanghebbende bericht ontvangen op 22 december 2025. Dit bericht heeft het Hof geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en is buiten beschouwing gelaten.
Feiten
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.662. Zijn inkomen bestond in 2022 onder andere uit een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) en een [buitenlands] invaliditeitspensioen. Belanghebbende heeft naast zijn positieve inkomsten een negatief inkomen opgegeven van € 2.078 met als omschrijving ‘EEG 883, inkomstenbelasting, sociale premies’. Belanghebbende heeft in zijn aangifte ook de volgende specifieke zorgkosten opgevoerd:
Kosten medicijnen: € 80
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte: € 340
Dieetkosten: € 39
Extra uitgaven kleding en beddengoed: € 620
Genees- en heelkundige hulp: € 230
Reiskosten ziekenbezoek: € 420 +
Subtotaal: € 1.729
Verhoging (€ 1.079 x 40%): € 432 +
Specifieke zorgkosten voor drempel: € 2.161
Drempel specifieke zorgkosten: € 282 -/-
Aftrekbaar bedrag: € 1.879
De Inspecteur heeft een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.619. Hierbij heeft de Inspecteur onder meer het in de aangifte opgenomen negatieve inkomen en de opgevoerde specifieke zorgkosten niet geaccepteerd.
Belanghebbende heeft in bezwaar verzocht rekening te houden met het forfaitaire bedrag voor kleding en beddengoed van € 310 als specifieke zorgkosten. De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning conform het bezwaar vastgesteld op € 13.467.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Negatief loon
7. In artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is bepaald dat onder loon moet worden verstaan loon overeenkomstig de bepalingen in de loonbelasting. Volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is dat alles wat iemand uit een (vroegere) dienstbetrekking ontvangt, zoals een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dat kan ook negatief zijn, bijvoorbeeld bij terugbetaling van eerder ontvangen loon. Zo’n terugbetaling kan, onder voorwaarden, in het jaar van terugbetaling als negatief loon meetellen.
8. Uit de tot de gedingstukken behorende brieven van het UWV, gedateerd 20 maart 2017, 11 mei 2017 en 2 juni 2018, volgt dat eiser in de jaren 2016 tot en met 2018 te veel uitkering ingevolge de WIA van het UWV heeft ontvangen. Hiermee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in het jaar 2022 een bedrag van € 2.078 als negatief loon kwalificeert. Alleen bedragen die in 2022 zijn terugbetaald of waarmee in dat jaar is verrekend, kwalificeren onder voorwaarden als negatief loon. Voor zover eiser minder WIA krijgt omdat hij een uitkering uit [buitenland] ontvangt, is geen sprake van negatief loon. Verweerder heeft de aftrek terecht niet toegelaten.
Persoonsgebonden aftrek (zorgkosten)
9. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 zijn specifieke zorgkosten alleen aftrekbaar als deze op eiser hebben gedrukt en voldoen aan de voorwaarden van artikel 6.17 van die wet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op aftrek.[1] Eiser is daar niet in geslaagd. De volgens de overgelegde huisartsverklaring door eiser gevolgde diëten komen niet voor op de in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen dieetlijst. De door eiser genoemde dieetkosten komen daarom niet voor aftrek in aanmerking. De rechtbank twijfelt voor het overige niet aan de door eiser geschetste gezondheidsklachten en zijn persoonlijke situatie, maar deze geven onvoldoende inzicht in de (hoogte van de) gemaakte kosten. Dat eiser stukken ter onderbouwing van de zorgkosten, zoals rekeningen en kwitanties, per ongeluk in 2023 met het oud papier heeft weggegooid, komt voor zijn rekening en risico.
(…)
[1] Gerechtshof Den Haag 28 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:308.”